2000 – (08) India op een Enfield

Vorige Volgende

Broem, pep, pep, broem, pep, pep, broem, pep, pep..
Dit geluid maakt een kind naast ons in het hotel. Hij speelt dat hij aan het rijden is. Wij rijden nu echt in India, en inderdaad de toeter is een van de meest gehoorde geluiden, en het belangrijkste onderdeel op de voertuigen. Je spiegels, voorruit, deur, stoel of motor mogen kapot zijn of het niet zo goed doen, als je toeter het maar doet.

Niemand kijkt hier om zich heen en mens en dier steken zonder om te kijken over, of gaan gewoon op de weg staan. Dit is de reden dat je veel moet toeteren. Je toetert dus als je iemand ziet, een dorp binnenrijdt, een voertuig passeert, een bocht doorrijdt met weinig overzicht of waar dan ook om te kijken of de toeter het nog doet.

Zo goed als alle vrachtwagens en bussen hebben achterop de tekst “Horn Please” (Toeter a.u.b.) geschilderd, waarschijnlijk om ze wakker te houden. Als vrachtwagenchauffeur zou je ook in kunnen dutten, want regel nummer 1 hier in het verkeer is : de grootste heeft voorrang, en bij gelijke wint degene met de hardste toeter.

Een tweede regel hier is dat iedereen linksachtig moet rijden. Dit houdt in dat 55% aan de linkerkant, 30% in het midden en 10% aan de rechterkant van de weg rijdt.

Er zijn verschillende soorten wegen hier in India, De kleine weggetjes tussen de dorpen bestaan meestal uit 1 baan, en zitten vol gaten. Ze worden wel eens gerepareerd, maar dan worden de gaten net zo erge bulten. Op deze wegen kan je dan ook niet harder dan 30 km per uur rijden. De wegen vanaf de grote weg naar de dorpen zijn wat breder en wat beter onderhouden en de grote weg bestaat uit minimaal voor iedere richting een rijstrook, en aan beide zijkanten een stuk vrije grond. De allerkleinste wegen bestaan uit platgestampte grond, maar verder is alles van asfalt.

Op de wegen is er ook erg veel verschillend verkeer. Er leven veel mensen aan de zijkant van de straat, en die zijn ook op de weg terug te vinden, ze staan daar, lopen rond, of duwen een kar voort. De ossenwagens en fietsen zijn weer sneller dan die duwkarren, en een tractor en paardenwagen halen hen weer in. Brommers en scooters van zo’n 100cc gaan weer sneller, en bovenaan de lijst staan de auto’s vrachtwagens en bussen die alles en iedereen inhalen. En hier ergens tussen rijden wij dan ook nog.

Soms worden er in meerdere lagen ingehaald, en als iedereen tegelijkertijd elkaar inhaalt en dat vanuit de tegemoet komende richting dan komt alles op je afrijden en is de enige oplossing vluchten naar de stroken grond naast de weg, waar dan ook de resterende 5% van het verkeer te vinden is. De vrachtwagens scheuren voor lange tijd door, en het zijn dan ook de bussen die de meeste problemen geven. Helemaal overvol geladen scheuren ze van dorp naar dorp, om daar weer vol op de rem te gaan staan bij de bushalte. Als we ze dan net weer hebben ingehaald, komen ze ons weer met grote snelheid inhalen.

Behalve de teksten over de toeters worden de vrachtauto’s gebruikt om de mensen voor te lichten over allerlei belangrijke zaken. ‘Familie is 2+1’, dus 1 kind per gezin, ‘er is geen medicijn voor aids’ en ‘redt India, bespaar olie’ zijn de dingen die wij leren onderweg.

Iets waar we erg aan moeten wennen zijn de benzinepompen. Het is warm dus bij een benzinepomp is het eerste wat er in ons op komt: IJS. Pavloveffect noemen ze dat, maar ook na 3500 km India hebben ze alleen benzine en olie bij de pompen…

Een miljard mensen (een zesde van de wereldbevolking) zijn in het dagelijkse leven niet zo gewend aan al te veel persoonlijke ruimte. Ze staan overal in groepjes dicht op elkaar, en in rijen voor een loket staat iedereen tegen elkaar aan te rijden. Er zijn dan ook aparte vrouwenrijen, want in een gemengde rij zouden er vrouwen zwanger kunnen raken. In het verkeer is dit ook terug te vinden. Inhalen gaat rakelings langs elkaar, iedereen kleeft en als je iets te veel afstand met het voertuig voor je hebt, wordt je ingehaald en zetten ze hun wagen ertussen. Het is dan ook de hele dag geconcentreerd rijden, maar gelukkig hebben de jaren file rijden in Nederland Arjan klaargemaakt voor de Indiase wegen.

De Indiase wegen waren dan ook niet het grootste probleem, maar voor de Indiase motor is Arjan niet helemaal voorbereid. Na een dag heeft hij het kickstarten wel door. Maar bij het eerste ritje met de motor hebben we de hele weg naar het hotel in z’n eerste versnelling gereden, omdat naar de tweede versnelling schakelen niet lukt. Na meer dan 8 jaar en 80.000 km op een motor te hebben gereden zit Arjan de volgende dag met een monteur achterop rondjes te rijden om te kijken wat hij verkeerd doet. Op onze japanner thuis is hij gewend om heel rustig te schakelen, koppeling in en een licht tikje en de motor staat in de volgende versnelling. De nieuwe techniek die Arjan zich moet aanleren is snel de koppeling in en te gelijkertijd goed op de versnelling stampen, of met zijn hak een trap geven om in een hogere versnelling te komen. Met deze methode gaat het meestal goed. Het serviceboekje spreekt over de heel handige “neutraal vinder” die op de motor zit om de versnellingsbak, indien nodig, vanuit alle versnellingen direct in zijn neutraal te krijgen. Deze hendel zien we meestal als enige uitweg om de motor in zijn neutraal te brengen.

Voor ons is de ultieme India ervaring op een Enfield Bullet 500. Rondrijden is leuk, mooi en fantastisch. In India kan je echt overal met bus komen, dus we komen niet op plekken waar je zonder eigen vervoer niet kunt komen, het verschil is wel dat het nu minder moeite kost om er te komen. Onderweg zien we de mooiste paleizen, gebieden en tempels waar we normaal een dag aan zouden moeten spenderen om kaartjes te regelen, uitzoeken waar de bus vertrekt, in de bus zitten, een stuk lopen en dan ook weer terug. Wij hoeven niets meer van te voren te regelen en kunnen weg wanneer we willen. Elk uur een stop bij een kokosnootverkoper aan de zijkant van de weg, of een restaurantje waar we voor iets meer dan een gulden vol zitten met zalig zuid Indiaas eten en er weer tegenaan kunnen. De vrijheid die je hebt is heerlijk, je kunt gaan en staan waar en wanneer je wilt, alleen dat zadel is zo hard…..

We rijden gelukkig niet al te veel verkeerd, wat op zich iets bijzonders is omdat we van de meeste wegbewijzeringen niets snappen. De opschriften zijn in Tamil of dan in Keralees of Karnatakaas en gelukkig ook vaak in het Engels. We moeten dan ook vaak naar de weg vragen. Soms worden we op een vraag volledig genegeerd, en blijft de persoon stug van ons afkijken, maar meestal doe ze hun best om ons goed te helpen. Meestal begrijpen ze de plaatsnaam uit onze uitspraak en zeggen waar we naartoe moeten rijden. Als ze in een groepje staan worden er vaak verschillende richtingen aangewezen, is er wat onderlinge discussie en komen ze uiteindelijk tot een gezamenlijk e richting. Het is dan ook meestal aan te bevelen om een richting een paar meter verder maar weer te vragen.

Na twee weken in en rondom Chennai (Madras) geweest te zijn nemen we afscheid van onze favoriete fruitverkoper waar we iedere dag een ananas, papaja en bananen kochten en te gelijkertijd druiven van hem jatten, en van onze bewaker in het hotel die ’s nachts trouw op onze motor heeft gepast. Hij heeft ons al zo veel keer weg zien gaan de laatste twee weken dat hij stug blijft volhouden dat we vanavond gewoon weer in het hotel terugkomen. We zijn de twee weken bijna alleen maar met de motor bezig geweest. We hebben hem ingereden voor de eerste servicebeurt (500km) en Arjan moest natuurlijk opnieuw leren hoe zo’n ding te bedienen, en allerlei andere dingen regelen kost ook een paar dagen.

In India mag je alleen een nieuw voertuig kopen als je een permanent woonadres hebt. Dit is in een land met corrupte ambtenaren zo te regelen, en wij hebben dan ook in Chennai het zelfde adres als iedereen die in Chennai een motor koopt. Je betaalt voor 15 jaar wegenbelasting, nog wat geregel om de verzekering ook voor Nepal geldig te maken, en een bezoek aan het Nederlandse consulaat om een bewijs van geen bezwaar af te halen. Dit document stelt niets voor, maar er zitten stempels op van de Staat der Nederlanden, dus het staat goed bij alle aanvragen. Een stapel roepies wisselt van eigenaar en we hebben een gloednieuwe motor.

De Enfield is een export model. In principe is hij helemaal hetzelfde als de anderen die je hier kunt kopen, alleen de voetrem, en het schakelen hebben ze omgedraaid naar de kant die wij in Nederland gewend zijn. Als we de motor ergens geparkeerd hebben staat er bij terugkomst meestal wel iemand bij die ons toch wel moet vertellen dat het schakelen aan de verkeerde kant zit. Ze willen ook gelijk van alles weten. Of en waar we de motor gekocht hebben, voor hoeveel en aan het einde natuurlijk wat we met de motor doen als we terug gaan naar Nederland. Ze willen hem allemaal wel kopen, want een Enfield is hier een echt statussymbool.We rijden langs bijna alle belangrijke tempels in Tamil Nadu. Er zijn witte gopuras (tempeltorens) maar de mooiste vinden wij de wel gekleurde die soms meer van zuurstokken weg hebben dan van een heilige plaats. sommigen zijn zo 40 meter hoog vol met goden en taferelen uit oude Indiase legenden. We genieten vooral van het leven in en om de tempels. De tempels lijken op een gegeven moment allemaal op elkaar, maar de meest bijzondere dingen gebeuren erin.

In Kumbakonam staat de gopura die zo onrealistisch zuurstofroze gekleurd is dat je er een paar keer naar moet kijken, en dan nog steeds niet gelooft dat het de echte kleuren zijn en dat de goden er ook nog blij mee zouden zijn. Eens in de 12 jaar is er een groot festival om te vieren dat water uit de Ganges het tempelzwembad weer vult. De volgende keer dat dat weer gebeurd is in 2004. Zo lang kunnen we niet wachten, maar we hebben wel gewacht dat de jaarlijkse versie van dit feest plaats vindt. We staan tussen alle gelovigen in en zien dat een nandi (stier waarop Shiva rijdt) word besmeurd met alle offeringen. Liters kokosnootmelk word er overheen gegoten, melk, rijstdrabjes en allerlei andere etenswaren worden aan de nandi geofferd. Als dat gedaan is word hij heel mooi opgemaakt met vele lagen bloemenkransen, en als afsluiting krijg hij twee ogen opgeplakt om de wereld eens per jaar te kunnen zien. De volgende dag komen we weer bij de zelfde tempel, en de tempelpriesters herkennen ons van de vorige dag en nodigden ons gelijk uit om naar de tempelgod te kijken die ze op een kar aan het zetten waren en mooi aan het maken waren met bloemen. Zes Indiërs en Arjan duwen de kar door de straten. Elke paar meter word er gestopt zodat iemand een offering kan doen. In de winkels waar we langslopen zie je ze even naar hun god bidden, ze doen hun ogen open en zien die stomme blanke die daar aan het duwen is en ze moeten hard lachen. Van alle kanten uit de stad komen de karren van verschillende tempels samen op de hoofdweg op weg naar de beroemde tempelzwembad. Duizenden pelgrims zijn in de ghats aan het baden en wachten op de goden. De goden worden met het heilige water overgoten en ze kunnen er weer voor een jaar tegen.

In een dorp waar we langsreden hoorden we trommels, we zetten de motor aan de kant want dat klonk als een feestje. We zien in een dorp waar normaal geen mens komt de meest interessante en vreemde dingen. We zien een grote groep dorpelingen achter de muzikanten lopen die we op de motor gehoord hadden. Zo’n tien dorpelingen zijn de uitverkorenen dit jaar en lopen met ontbloot bovenlijf, gezicht met as versierd van tempel naar tempel. Ze dragen een pot in een doek op hun hoofd en zijn sterk onder de invloed van alcohol, hasj of wat dan ook. Bibberend en schokkend lopen ze in trance rondjes om de tempels, en bij sommige lijkt het wel of ze een epileptische aanval krijgen waarbij geschreeuwd en met ogen gedraaid wordt. De dorpbewoners houden hen op de been, en ze lopen weer naar de volgende tempel. Als ze de laatste tempel hebben gehad lopen ze achter elkaar het plaatselijke meertje in om af te koelen en ze komen er gelukkig een stuk helderder weer uit. Wat het allemaal inhoudt komen we niet achter, want niemand spreekt een andere taal dan Tamil, maar we worden wel uitgenodigd om als gast mee te eten. Met een mooie grote rozet op zitten we tussen de dorpsbewoners voor de hoofdtempel. Na rijst met allerlei prutjes gegeten te hebben van een bananenblad, vouwen we het bananenblad dubbel, wassen we onze rechter hand, want daar eet je mee, en lopen we naar de tempel om de god te bedanken. We zijn er beiden van overtuigd dat we iets bijzonders hebben meegemaakt, maar wat?

Als maar doorrijdend komen we in Kanyakumari aan. Zuidelijker rijden gaat hier niet meer. Op het driezeeën-punt dat hier is (weer eens wat anders dan vaals) komen de Arabische zee, Indische oceaan en de Bengaalse baai bij elkaar. Vivekananda, een heel bekende Indiase filosoof, kwam op zijn spirituele rondreis ook tot dit punt, en zag een paar honderd meter voor de kust nog een rots waar hij naartoe zwom om te mediteren. Wij gaan maar met de boot en komen bij het standbeeld aan wat nu op deze rots staat. Op zo’n 8 graden noorderbreedte is dit het zuidelijkste plekje waar wij op deze reis ons zullen begeven. We zullen er dus voorlopig niet achter komen of je aan de andere kant van de evenaar naar beneden valt, maar we hebben hier niet echt het idee dat we scheef lopen.

Het landschap word vanaf hier veel groener en we komen in de staat Kerala. Paleizen, stranden en het beroemde katalkali.

Katalkali betekend letterlijk verhaalvertelling en dat is juist het gedeelte wat wij het minst interessant vonden. Een paar acteurs samen met muziekanten en zangers geven normaal voorstellingen van uren, maar deze toeristenversie is teruggebracht tot een half uur, dat het volgens Els nog steeds erger maakt dan een Tibetaanse opera voorstelling. Al het leuke gebeurt voor de voorstelling. De acteurs zijn anderhalf uur bezig om zich op te maken. Met natuurlijke kleurstoffen worden de gezichten beschilderd, en met lijm en stukjes papier worden allerlei uitstulpingen op het gezicht gemaakt. Ze leggen het hele katalkali uit en laten alle verschillende traditionele oog hand en gezichtsuitdrukkingen zien die het feitelijke verhaal vertellen. Als leek zien we dat soms terug in de voorstelling, het is allemaal heel subtiel.

We blijven twee dagen in kollam waar iedereen ons een ticket voor de backwater tocht van 8 uur naar Alappuzha wilt verkopen, alleen kan de motor niet met de boot mee. Wij gaan een paar uur met een sloep door de kleine kanalen die tussen de verschillende dorpen liggen en slaan de boottocht over het grote water over. Heel interessant om de echt kleine dorpen te zien waar zelfs de bus niet komt. Niemand begrijpt dat we niet naar Alappuzha willen, en ze staan ongeloofwaardig naar ons te kijken als we vertellen dat we vlakbij een soortgelijk gebied in Nederland wonen. Ze zeggen dat de backwaters van Kerala legendarisch zijn, en we vertellen hem over de biesbos.

Als echte Hollanders zijn we ook altijd op zoek naar onze overzeese geschiedenis. We weten allemaal dat we voor een paar gulden Nieuw Amsterdam (New-York) hebben gekocht en dat later voor Suriname hebben geruild. Dat we nog steeds kolonies hebben in de Antillen en dat we lang in Indonesië en Taiwan hebben gezeten. Over onze India avonturen wordt maar heel weinig verteld. In het paleis van Padmanabhapuram (onthoudt deze naam goed want jullie worden overhoord bij onze terugkomst) waar de koningen van het Travancoorse rijk woonden vinden ze het maar al te leuk om het schilderij met de Hollanders daarop te laten zien. Het onderwerp van de schildering is de overgave van de Hollanders aan de koning. Kerala is toch een plek waar we heel graag wilden zitten, want hier komen veel specerijen vandaan.

In Kochi hadden de Hollanders meer geluk, we trapten de Portugezen er in 1663 uit om er door de Engelsen in 1779 weer uitgetrapt te worden. Wij gaan een paar dagen hier heel luxe slapen in een kamer in het oude gedeelte van de stad in een tot hotel omgebouwd oud Nederlands koloniaal huis.

De sfeer is echt fantastisch in dit oude gedeelte van de stad. Bijna geen verkeer komt hier en je dwaalt door de oude straten met koloniale huizen. We gaan een kijkje nemen in de oudste kerk van India, bekijken de Nederlandse begraafplaats, het paleis en de beroemde synagoge van Kochi.

 We gaan weer verder terug de bergen in. Na een tussenstop in een hillstation, een plaats in de bergen waar de Indiërs en vroeger ook de Engelsen naar toe vluchtten voor de warmte, Munnar willen we verder naar het iets hoger gelegen Kodikanal. Net voordat we het dorp verlaten komen we in aanraking met Joseph Iype. Na zijn pensionering heeft hij een eigen VVV geopend, en hij weet ons over te halen om in Munnar te blijven. Hij heeft een kamer voor ons in zijn huis middenin de grootste theeplantage van de wereld. ’s Morgens vroeg zijn de vrouwen al druk in de weer op de hellingen met het plukken van de thee. Als wij ook eens wakker worden gaan we ook door de theevelden lopen, en genieten we van de uitzichten en van de hard werkende vrouwen die het leuk vinden om een praatje met ons te maken.

Joseph heeft het al helemaal voor ons gepland wat wij de volgende dag moeten doen, want hij vertelt ons dat Munnar 14 toeristische attracties heeft, en een van deze is de Nilgiri tahr, een zo tamme en nieuwsgierige berggeit dat ze bijna uitgestorven waren omdat ze bijna in de keuken van legerkampen kwamen kijken wat er in de pan zat. Nu zijn er zo’n 2000, en in Munnar lopen er daar 1000 van rond. En zoals Joseph ons meerdere keren weet te vertellen kan je rondlopen in de bergen met “Animals so close you can almost touch them”.

Vanuit Munnar rijden we door de bergen naar een steeds lagere hoogte (of hogere laagte???). In heel India staan slagbomen en wegversperringen waarmee de politie heel het land kan stilleggen als er iets aan de hand is. Normaal staan die slagbomen allemaal open, maar nu hebben we twee van de slagbomen bijna achter elkaar en ze zijn dicht. We worden toch zonder problemen doorgelaten en hebben geen idee waar dan nou allemaal voor was. We rijden een stukje over de nu heel rustige weg langs hele mooie natuur en worden opeens opgeschrikt door een paar wilde zwijnen die de weg oversteken. We zijn helemaal blij want we hebben bijna al meer gezien dan in Chitwan nationaal park en zitten rond te kijken in een gebied waar we nog wel een paar krokodillen bij de sloten zullen verwachten. We rijden een stukje verder en we zien opeens een wilde olifant 3 meter van ons afstaan aan de zijkant van de weg. In een reflex toetert Arjan naar het beest want als er een koe op de weg staat toetert hij ook altijd om ruimte te maken, dus waarom niet naar een olifant? De olifant herkent de toeter als het geluid van een rivaalerende olifant. Hij stampt op de grond, flappert met zijn oren, slaat met zijn slurf en zet de achtervolging in. Els zit achterstevoren op de motor en ziet het beest op ons afkomen in een grote stofwolk en roept “Rijden!!!!!!!”. Arjan zag hetzelfde in zijn spiegel en zet het op een rijden. Gelukkig is de topsnelheid van de Enfield hoger dan van een olifant, en even later geeft hij de achtervolging dan ook op. We genieten nog tijden na van de gebeurtenis, en als we even later weer door twee van de slagbomen moeten zien we eindelijk waar we geweest zijn : Indira Gandhi National Park.

We gaan met een zogenaamde toytrein naar de hilstation Ooty. In de 50 kilometer die de trein moet afleggen gaat hij van zo’n 200 meter boven zeeniveau naar 2200 meter en hij doet er 5 uur over. Prachtige uitzichten, maar moeten weer heel erg denken hoe het liedje ook alweer verder ging. Sinds de transiberia expres willen we dat al weten : Op een klein stationnetje ’s morgens in de vroegte. stond een klein wagonnetje….” en toen???

De volgende dag doen we bijna de zelfde rit, maar dan over de weg met de motor. Honderden apen zitten op de weg om een graantje mee te pikken van al het voedsel dat over deze weg wordt getransporteerd. We blijven niet in Ooty. Vroeger was het een mooie hillresort, maar het is ten onder gegaan aan zijn eigen succes. Heel veel vakantiehuisjes kijken uit op alle troep die de toeristen overal neergooien. We rijden dan ook snel door en nemen een steile weg naar beneden. Een prachtige weg die weer door een nationaal park loopt met heel veel grote bambi-herten. Een wat ongelukkigere gebeurtenis is de val die wij op de weg naar beneden maakten. In een scherpe bocht, steil naar beneden komen we bijna tot stilstand maar de steen midden op de weg kunnen we niet meer ontwijken. Met de motor vol met bagage en Els achterop is de motor niet meer houden en we vallen langzaam om. Gelukkig heel weinig schade. Het glas van de voorlamp lag eruit, de valbeugel is wat verbogen, Arjan heeft een snee op zijn elleboog en Els een grote blauwe plek.

Via Mysore, Halibid en Belur komen we aan in Hampi. Sinds tijden zien we weer andere toeristen, maar daar stopt ook al het contact.

Hampi is een van de plekken waar mensen een tussenstop maken op hun India reis tussen Goa en Mammalapuram. Een cultureel verantwoord plekje midden in je strandvakantie. Dit is dan ook zo’n plek dat de strandliefhebbers en de tempelliefhebbers samen komen in een plek. Tussen de ruines van een oude beschaving lopen de vrouwen met weinig respect voor de Indiase normen en zeden, de mensen die naar India komen om maanden in een ashram zitten, en de mensen die oude dingen, het dagelijkse leven en de diversiteit van India willen zien zoals wij.

Een heel ander stuk India is in Bijapur. Na voornamelijk tussen de Hindoes en christenen gezeten te hebben, zitten we in deze stad in een moslim wereld. Een mooi mausoleum en de moskeeën met hun oproepen tot gebed maken de diversiteit van onze reis compleet. India heeft alle geloven in zich die in de wereld bestaan.

In een dag rijden we van Bijapur voorbij Pune. In een dag 400 km afleggen betekent in India zo’n 12 uur bezig zijn. We komen in de staat Maharastra, dat als een van de rijkste staten van India gezien kan worden. De vrachtwagens worden na de provinciegrensovergang allemaal aan de kant gehaald omdat de belastingen in deze staat ook hoger zijn. De wegen zijn daardoor veel minder druk, iedereen staat bij de controleposten te wachten. De volgende dag nog 3 uur rijden en we zijn bij de brug waar we met Ravi hebben afgesproken.

Tijdens ons verblijf in Chitwan nationaal park in Nepal zijn we een Indiaas stel tegen gekomen (Manu en Ravi) die daar op hun huwelijksreis waren. Ze waren daar op zoek naar sneeuw en ijs, want dat hadden ze een keer in een film gezien. Jammer genoeg hebben ze dat daar toen niet gevonden, maar ze hadden wel een beer tijdens de wandeling gezien. Vanuit Chitwan zijn we met hen naar de Indiase grens gereisd en ze hadden ons uitgenodigd om bij hen te komen logeren als we in Mumbai (Bombay) komen. We rijden achter Ravi aan naar de buitenwijk waar ze wonen. Mumbai is na Tokio de grootste stad op aarde met een inwonersaantal van zo’n 15 miljoen (150 crore in het Indiase getallenstelsel) op een oppervlakte van zo’n 440 vierkante kilometer. Mumbai staat voornamelijk bekend om zijn filmindustrie met de naam Bollywood, waar de populaire massala films gemaakt worden. Massala is een kruidenmix van heel veel ingrediënten, en dat zijn dan ook de films. De films bevatten actie, geweld, muziek, dans, romantiek en hebben een moraliserende boodschap. Dit mengsel wordt goed geroerd, je voeg er nog wat supersterren aan toe en je heb een film waar voor iedereen wat in zit. We zijn ook naar een van de grote successen geweest, een mooie man met enorme bicepsen en hondenogen voor de vrouwen, een huppelmeisje in te korte rokjes voor de mannen, wat drama (de held gaat dood, maar heeft gelukkig nog een dubbelganger in Nieuw zeeland) en voor drie uur geniet je van de muziek en ben je geheel van de wereld.

Mumbai is een grote zeehaven en er wonen mensen met onvoorstelbare rijkdommen. De andere kant van Mumbai is dat per dag zo’n 300 mensen naar de stad immigreren op zoek naar een nieuw en beter bestaan. De meesten komen erg bedrogen uit en eindigen in de vele sloppenwijken die je in de stad ziet. Er zijn grote water- en afvalproblemen. De stad ziet er toch vrij schoon uit want er word van alles aan gedaan om de stad leefbaar te houden. (of zou dat met het bezoek van Bill Clinton deze week te maken hebben?)

We komen in de buitenwijk Mulund aan waar Manu en Ravi samen een klein flatje hebben. Met een woonkamer, keuken, wc, douche en een slaapkamer hebben ze meer dan heel veel anderen in Mumbai. Zo’n ruimte wordt ook gebruikt voor gezinnen met meerdere kinderen.

Manu is een heel intelligente vrouw die veel van de wereld weet, maar toch gebukt gaat aan het Indiase traditionele leven. Ze kookt drie keer per dag, en doet alle andere huishoudelijke bezigheden als Ravi tegelijkertijd ingespannen naar de TV kijkt naar weer een cricket wedstrijd tussen India en Zuid-Afrika. Cricket is DE nationale sport hier en als er cricket op tv is ligt alles stil.

Wij worden op de Indiase manier als echte gasten ontvangen. We mogen echt helemaal niets doen, worden bij iedereen uitgenodigd om te komen eten en als Manu en Ravi aan het werk zijn wordt een hulp van de familie door zijn moeder naar ons gestuurd om thee te zetten en van alles te doen. Na 8 maanden heel zelfstandig rondgereisd te hebben is een week huiselijkheid heel erg fijn, maar als zelfstandige Hollanders krijgen we een beetje de kriebels dat alles voor ons gedaan wordt.

We komen aan in Mumbai op de eerste dag van holi. Wij vinden het de laatste week al heel erg warm worden, maar met holi wordt het einde van de winter gevierd, het word dus nog warmer aaaahhhhhhh. Holi is dat feest waar ze elkaar met kleurstoffen bekogelen, en we waren ook helemaal rood, zwart, geel, groen, paars, oranje, zilver, bruin en nat. We lopen door de straten, en groepjes jongelui rennen met hun verf op ons af. Bij Manu en Els wordt wat kleurstof op de wangen gedaan want getrouwde vrouwen worden hier met respect behandeld (en we leggen natuurlijk niet aan de jeugd uit dat we niet getrouwd zijn). Ravi en Arjan hebben wat minder respect van de jeugd en hun gezicht en haar zit vol verf.

We besloten om iets terug te doen voor onze Indiase vrienden en besluiten Hollands te koken. sla, gebakken aardappeltjes, bonen en krootjes en de topper appelmoes. De vrouwen en wij genieten, de mannen gillen dat de boontjes naakt zijn en vinden alles maar raar, behalve de appelmoes.

Na een week vertroeteld te zijn, begint het harde leven weer. Met de trein van Mumbai naar Gorakpur, drie uur van de Nepalese grens.

De motor wordt ingepakt in stro en jute zakken en gaat het bagageruim in, waar we hem na 36 uur treinen weer geplet tussen de dozen met druiven terugvinden.

De treinreis viel erg mee, het was wel warm, maar de grootste tijd hebben we geslapen en als entertainment gefungeerd voor de Indiërs, en daarvoor hoef je in India niet eens gek te doen, gewoon aanwezig zijn is al genoeg.

In Gorakpur snel weer benzine in de motor, alle zooi erop gebonden en drie uur later zijn we bij de grens. We kopen een nieuw visum, betalen belasting voor de Enfield en rijden Nepal binnen.

Een bergweg met haarspeldbochten en een niet al te denderend wegdek brengt ons in Kathmandu, waar we een weerzien hebben met bekende (eet)plekken en mensen.

 

Vorige Volgende