2000 – (10) Noord-India

Vorige Volgende

Na de stempel denken we in India te zijn, maar een groot hek staat nog in de weg. Normaal komen hier alleen voetgangers en we moeten op zoek naar de man met de sleutel.

 

Na de grens rusten we een paar dagen uit want Els heeft oorontsteking. Els ligt op bed, en Arjan op zoek naar Indiase snacks. Hier geen dhal-bath meer, maar de plaatselijke specialiteit is een soli. Dit is een platgeslagen samosa (een aardappelbal in deeg) met daar overheen een scherp kikkererwtenprutje, een zoete saus, yoghurt en een fijngesnipperd uitje, erg lekker maar voor Els iets te heet. Arjan eet dus dubbele porties, want hij blijft voor Els steeds bestellen. Als toetje kulfi (Indiaas melkijs), altijd een favoriet. Alleen de mie die ze er hier overheen eten gaat ons iets te ver.

We rijden een paar dagen in het grensgebied India- Nepal- Tibet en we zien bijna niemand. We gaan hoger en hoger en rijden door grote pijnbomenbossen en nietszeggende dorpen. Met ons Tamil Nadu Nummerbord vallen we wel op. Iedereen wil dan ook weten wat we komen doen. “O, u bent toerist. Privé of regering?” Veel mensen rijden hier rond op kosten van de regering als een soort snoep -studiereisje. Ze willen natuurlijk van alles weten, en iedereen zit om Arjan heen terwijl Els de motor oplaadt. Als ze erg geïnteresseerd zijn komt nog de vraag, “En wat doet zij?”. Els staat erbij maar wordt niet gezien als gesprekspartner, maar als giechelobject.

We rijden langs een van de 7 rivieren die de Ganges zal vormen. We zien  steeds meer heilige mannen en pelgrims langs de weg lopen. Er komen weer meer steden die allemaal een tempel hebben op de pelgrimsroute. Het wegdek wordt beter omdat ook de busladingen met rijkere pelgrims hier naartoe moeten. Bij Devaprayag zien we onder ons dan eindelijk de echte Ganges ontstaan doordat de twee overgebleven rivieren krachtig bij elkaar komen. We gaan verder omhoog en zien een paar honderd meter onder ons de Ganges zich een weg tussen de bergen doorworstelen. Geen vangrail die ons van de afgrond scheidt, en geen achterrem die ons kan doen stoppen…….. GEEN ACHTERREM !!!!……. Met de voorrem komen we wat trager tot stilstand. De stang van de achterrem is dwars afgebroken, en nergens meer op straat te vinden. Een Indiase jongen vraagt wat we zoeken, en zoekt even mee alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat je een rem verliest. Hij houdt een vrachtwagen aan die ons een lift wil geven naar Rishikesh. Als we de motor in de laadbak hebben vastgezet stopt een bus en geeft ons de afgebroken achterrem staaf. Niemand verbaast zich hierover, behalve wij. 60 kilometer rijden we bijna alleen steil naar beneden, en we vinden de wegen niet minder eng vanuit een grote vrachtwagen. Wel leuk dat de auto’s nu ook eens voor ons aan de kant gaan. Het begint steeds meer naar benzine te ruiken, en als we in Rishikesh zijn zien we dat de motor onderuit is geschoven. Zeker 5 liter benzine is via de benzinedop, de tanktas over de tank eruit gelopen. Alles stinkt naar benzine, en de verf op de tank en de Enfield plakletters kunnen niet zo goed tegen benzine. Ook onze reisginds is een kleffe bundel met de lijmlaag volledig opgelost. De motor start gelukkig nog en helemaal vertiefd en teneer geslagen vinden we een hotel. Gelukkig hebben we de twee helften van de stang zodat dat weer gelast kan worden. De volgende dagen zitten we in onze hotelkamer in een benzinewalm.

Rishikesh en Haridwar zijn beide zeer belangrijke pelgrimssteden. De Ganges komt hier uit de bergen, en gaat als een grote rivier verder door het vlakke land van India. Het zijn zalige steden om te verblijven en sommigen zitten hier maanden in een van de vele ashrams. Het is nu wel erg warm aan de voet van de bergen. Vanuit heel India komen mensen naar Haridwar om daar een duik in de Ganges te nemen. Het is hier ook beter te doen dan in Varanassi waar we 5 jaar geleden waren, want het water is hier nog redelijk schoon. De vrouwen gaan met hun sari’s aan voorzichtig te water, en de mannen wat stoerder in hun onderbroek, maar je ziet de angst in hun ogen als ze iets door de stroming worden meegenomen. IJzeren kabels zitten aan de kant vast om iedereen houvast te geven, en onder de bruggen hangen ze ook. Mis je al deze kabels dan zal het wel god zijn wil zijn, want de Ganges is een machtige god die vanuit de hemel neerkomt op aarde.

We rijden zo naar de westkant van India en komen in een Sikhgebied. Je ziet de grote tulbanden meer en meer. De Sikhs zijn een vrij kleine groep in India met zo’n 16 miljoen mensen en de meeste wonen in de Punjab. Als we ergens een Sikh ontmoeten gaat dat altijd gepaard met veel plezier, respect en gastvrijheid. We komen aan in Paonta Sahib, waar een belangrijke Sikh tempel staat. We hebben nog geen betaalbaar hotel kunnen vinden, dus gaan we eerst maar de tempel bekijken. Als we met al onze spullen voor de poort van de tempel staan, worden we gelijk uitgenodigd met motor en al naar binnen te gaan. We weten niet zo goed wat we allemaal moeten doen, en lopen maar een paar mannen achterna. In een kantoortje krijgen we chai (Indiase melkthee) aangeboden en worden later naar een kamer gebracht waar we kunnen blijven slapen. Voor reizigers hebben ze namelijk in iedere tempel plaats om te slapen en ze hebben gratis eten, gastvrijheid is een heel belangrijk iets voor Sikhs. Na alle spullen naar de kamer te hebben gebracht kunnen we eindelijk de tempel gaan bekijken. Schoenen uit, haar bedekken met een doekje (Arjan heeft nog geen tulband), handen en voeten wassen en we mogen naar binnen. Sikhs zijn een volk van krijgers (net als de Klingons), geloven in een god en hebben een stuk of 10 guru’s die de godsdienst in de 16e eeuw gestalte hebben gegeven. De 5e guru heet Arjan Dev, we hebben nooit geweten dat Arjan naar hem vernoemd was. In deze religie zijn het de mannen die zich moeten houden aan een dress-code waaraan je ze altijd kunt herkennen. Ze dragen een lange onderbroek, scheren zich nooit, dragen een ijzeren armband om hun rechter pols, hebben een kam in hun haar en hebben een dolkje bij zich. De tempel is groot van wit marmer. Een kleed op de grond met een altaar in het midden, waar een man met een baard uit de heilige geschriften zit te lezen, begeleid door drie muzikanten. Aan de muur hangen afbeeldingen van, en echt oorlogstuig. Om de tempel hangen gekleurde lampjes, want het blijven onder die tulbanden en achter die baarden gewone Indiërs.

Nog een paar dagen rijden, en er breekt een noodweer uit. We schuilen en drinken ons vol met thee. We rijden 15 minuten tussen twee buien in, en drinken nog meer thee. Na de buien zie we het eindelijk; ze hebben hier echt hoge bergen. We rijden voorbij Dharamshala naar McLeodGanj waar de Dalai Lama woont. Nadat we te vergeefs in Lhasa naar hem hadden gezocht (Hij was daar al een tijdje weg en zat in Nederland) kunnen we nu ook niet bij hem langs want hij zit in Kopenhagen. Als je Tibet hebt gezien is het hier een triest gebeuren, de sfeer is heel anders dan in Tibet met al zijn pelgrims, er zijn weinig mooie kloosters en het zit vol met toeristen. De Dalai Lama heeft ook geen mooi paleis, maar McLeodGanj is ook bedoeld als een tijdelijke verblijfplaats.

De eerste dag vonden we Dharamshala eigenlijk niets, en het liefste wilde we de volgende dag alweer verder. Maar Dharamshala is al heel lang een plek waar we naartoe wilden, dus gaven we het iets meer kans. Nadat de haast van weken reizen en festivals en drukte uit ons begon te raken, begonnen we Dharamshala steeds meer te waarderen.

Dharamshala is de plaats waar de Tibetaanse regering in ballingschap zit, en wordt door het Indiase toeristenbureau aangeduid als “Klein Lhasa”.

Dharamshala is alleen niet te vergelijken met Lhasa. Er zijn geen Chinezen die lelijke grote gebouwen neerzetten met witte tegels en blauw glas. Geen karaoke tot laat in de nacht, maar ook niet de hele mooie en grote kloosters die de laatste jaren weer meer tot leven komen met de prachtige Tibetaanse kunstvoorwerpen, terug uit de kluizen van Beijing na alle plunderingen en de pelgrims die soms weken door de grote vlakten op grote hoogten hebben gelopen om bij hun meest heilige stad aan te komen. Dharamshala is een beetje leeg van al dat gevoel, en is een van de vele plekken waar een hoop westerlingen zich ophouden tussen de gevluchte Tibetanen en waar de Indiërs rondlopen als toeristen, en absoluut niet in het plaatje passen. Zoals voor bijna iedereen is Dharamshala een plek om tot rust te komen, en wat meer te weten te komen van het Tibetaans Boeddhisme. Nadat we erg teleurgesteld zijn dat een zeer commercieel ingestelde Amerikaan $200 per persoon voor 16 uur les wilde hebben komen we terecht in de bibliotheek van de regering in Ballingschap, waar ze heel erg leuke en interessante lezingen gaven over Tibetaans Boeddhisme. Een oude Lama vertelt iedere dag een klein stukje van de Boeddhistisme Dharma’s, dat in het totaal een jaren lange studie vereist. In een zaal zitten westerlingen naar de vertalingen te luisteren door een vrouw die al 30 jaar echt heel goed en begrijpelijk de vertalingen verzorgt van lezingen en boeken. De Tibetanen luisteren direct naar de lama, en horen meer van de grapjes tussen Lama en vertaler als de Lama de vertaling niet goed vindt, of zij een kritische vraag stelt. Het onderwerp van deze maand is patience. En patience is precies datgene waar de Regering in Ballingschap mee bezig is in zijn strijd tegen China. Geweld en agressie leiden alleen tot nog meer lijden, dus die negatieve spiraal moet doorbroken worden door geduld. Dit wil niet zeggen door niets te doen, maar door structureel dingen te doen zonder kwaad te worden en de controle te verliezen. Het probleem is dat Beijing zich alleen sterk afzijdig houdt van al het contact met de Tibetaanse regering in Ballingschap. Beijing wil alleen maar praten als Dharamshala het met alle punten van de chinezen eens is. Een patstelling die de Dalai Lama al jaren probeert de doorbreken door zijn zaak te vertellen is de wereld, zoals nu want wij zitten in Dharamshala en hij in Kopenhagen.

We proberen nog wat andere cursussen te volgen, maar door het probleem van een sterk tekort van goede vertalers loopt dat iedere keer op een teleurstelling. De Lama wil heel graag alles vertellen over de Boeddhistische visie op de wereld, de vertaler doet zijn uiterste best om het zo goed mogelijk te vertalen, maar iets dat voor hem al moeilijke materie is als Tibetaans boeddhist, is bijna niet over te brengen met een stoomcursus engels voor beginners. Na de lessen in de Bibliotheek gaat we wat lezen, luieren en ook vaak naar een van de videohokjes waar ze diverse films vertonen. Bij een documentaire over de Karmapa Lama komen we in gesprek met een Israëliër. Hij is net uit een hindoe ashram en heeft vandaag inkopen gedaan om met zijn volgende project te beginnen; Boeddhisme. Hij heeft gehoord dat de caramba lama publieke audiënties geeft, en wil weten of wij al bij de caramba lama zijn geweest. Hij weet ons te vertellen waar en wanneer deze audiënties plaatsvinden, dus daar willen wij ook naartoe. Eind 1999 stond de 17e karmapa (dus geen caramba) Lama na een barre vlucht uit Tibet opeens in Lhasa. China en India weten niet wat ze met de situatie aanmoeten in verband met hun toch al gespannen relatie, en zijn beide niet blij dat deze 14 jarige Lama met gevolg zo maar zonder ontdekt te worden bij de grens opeens in India kan rondlopen. Na de Dalai Lama en de Panchen Lama (de jongste (5 jaar) politieke gevangene ter wereld, en is al een tijd niets meer van gehoord, en door Beijing vervangen door een chinees jongetje) is de karmapa nummer drie is de Lama hiërarchie. Wij hadden eigenlijk verwacht dat hij goed afgeschermd zou zijn van de buitenwereld, maar nadat we bij zijn klooster zijn aangekomen, en onze paspoorten hebben ingeleverd staan we in een rij met Tibetanen en een paar westerlingen bij de Lama. Als we recht voor hem staan en recht in zijn ogen heb gekeken buigen we ons hoofd om een rood protectie sjaaltje van hem te ontvangen. We gaan allemaal in de zaal zitten en luisteren naar wat gebeden…. Om Mani Padme Hum…..

Alhoewel de jongen pas 14 jaar is voelen we ons in de aanwezigheid van een persoon met een grote rust en uitstraling. We zijn heel erg onder de indruk van het bezoek, en zijn ook direct verlost van 7 voorgaande levens met slechte karma. De Karmapa Lama zal een heel belangrijk persoon worden in het streven naar een vrij Tibet. De Dalai Lama begint al ouder te worden, en heeft verkondigd niet meer te reïncarneren, en dat leidt ertoe dat de Karmapa de hoogste lama in ballingschap zou worden.

De dag voordat we weggaan horen we opeens dat de Dalai Lama in Dharamshala aankomt, en de straat waar hij langs moet gaan staat vol mensen, wachtend op zijne Heiligheid. Heel het dorp loop uit om hem terug te zien komen, en we zien hem door de voorruit van zijn auto langs ons rijden. Het is geen audiëntie, maar we zijn heel blij de Dalai Lama eindelijk gezien te hebben.

We zitten nog te twijfelen om nog langer in Dharamshala te blijven. We hebben steeds meer onze draai in dit plaatsje gevonden en hebben dat misschien nog een kans om de Dalai Lama te zien. We zijn alleen ook toe aan weer wat afwisseling, en gaan op weg naar een vallei naar het noorden, Chamba.

We gaan steil naar beneden vanaf het op 1710 meter gelegen Dharamshala (McLeodGanj) om op 710 meter hoogte te rijden naar de pas die we over moeten bij Jot. Weer steil naar boven rijden via een lange slingerweg komen we op het hoogste punt bij Jot op 2650 om weer naar beneden te gaan naar het plaatsje Chamba op 910 meter. Prachtige uitzichten, en we hebben nu echt het gevoel dat we in de Himalaya zijn. Op weg naar beneden doet de motor alleen weer erg vreemd. Nadat Arjan de bougie schoonmaakt, gaat het even goed, maar dan weer de zelfde problemen, en Els vervangt heel vakkundig de bougie, ze wordt ook al een hele techneut. Het schakelen gaat wel veel makkelijker na een bezoek aan de Enfield sleutelaar in Dharamshala met de naam Vijay. Wat drie officiële Enfield dealers niet konden oplossen omdat ze geen ervaring hebben met mijn motor, lost hij in 5 minuten met logisch nadenken en wat zagen en veilen op.

In Chamba bevalt het eerste hotel dat we bekijken niet zo, en we laten ons meelokken naar het reisbureautje Mani Mahesh Travels. 12 kilometer buiten Chamba hebben ze een eco-vriendelijk hotel met de naam “The orchard hut”. De foto’s en verhalen deden ons helemaal overtuigen, en we gaan op weg naar de plek. We zouden Nitin van het reisbureautje volgen naar het busstation, en dan de bus volgen tot hij uitstapt. Als we net de bus missen, heeft hij een beter idee, hij rijdt wel met onze Enfield heen en weer om ons weg te brengen, met grote ogen kijkend naar de motor waar hij helemaal weg van is. Het plan gaan alleen niet door, maar Arjan wil wel heen en weer rijden. We laten Els achter en rijden richting de Orchard hut. Na 3 kilometer opeens een vreemd geluid, en als we direct stoppen zien we de ketting op de grond liggen. We rijden al vanaf Chennai rond met 2 reserveonderdelen, en vandaan gebruiken we ze beide. In leg voor het eerst in mijn leven een ketting om de tandwielen, verbrandt mijn voorhoofd aan het warme motorblok, en zit vreselijk te kloten met allemaal nieuwsgierige Indiërs om me heen die hard lachen, maar geen poot uitsteken als je iets vraagt. Nitin is Els halen door heen en weer te liften, als Arjan aan het ploeteren is. Arjan heeft gelukkig wel veel meer zelfvertrouwen gekregen met het motoronderhoud, en slaagt ook hierin. Voor iemand die in zijn 8 jaar motorrijden nog nooit de bougie had verwisseld, is hij al ver gekomen. Voorzichtig rijden we verder, toch niet zo veel vertrouwen in mijn techniek, en we bereiken de plek waar we de motor kunnen stallen. Met alle zware spullen moeten we 20 minuten steil naar boven lopen naar het huis. Gelukkig hebben ze een “draagjongen” naar beneden gestuurd, want na een zware en lange dag rijden, zijn we beiden heel moe.

Boven aangekomen is alle moeite niet voor niets geweest. Een mooi huisje waar we een kamer hebben met een heel groot balkon /veranda ervoor blazen we uit en genieten van het eten dat Snee (Nitins moeder) voor ons maakt. De komende dagen zitten we lekker van het uitzicht te genieten, lekker luieren, lezen, een beetje afkoelen in het badje en zalig eten. We maken een korte trek van drie dagen, en maken het niet al te zwaar.

We willen nog een naar het plaatsje Brahmaur rijden, maar de motor doet raar, en we besluiten de plaatselijke monteurs te bezoeken. De eerste maakt een puinhoop van de elektrische bedrading, het licht en de klipperlichten doen het niet meer, we horen geknetter van kortsluiting en ze zeggen tegen ons, Oké klaar hij doet het weer. Na veel aandringen wil hij de andere problemen ook nog wel oplossen maar houdt vol dat mijn knipperlichten het nooit hebben gedaan. Het was ook allemaal onze schuld, want wij hadden wel eens ergens anders naar onze motor laten kijken. De problemen blijven en we proberen het bij een andere monteur. We vragen nu direct om de carburator en het luchtfilter schoon te maken, want daar lijken de problemen mee te maken te hebben. Hij doet zijn werk met veel zelfvertrouwen, en het ziet er best wel goed uit. De carburator word opengemaakt en schoongemaakt het heel veel benzine, en het luchtfilter volgt. Om de luchtstroom te bevorderen gaat er nog een laag olie over het luchtfilter, en we weten nu zeker dat er geen goede monteur te vinden in Chamba.

We komen er zelf achter dat het initiële probleem een afstelling en een los draadje was, en met die kennis rijden we richting Delhi.

Als we de Punjab inrijden zien we iets dat we niet verwachten. Overal bomen en het lijkt wel of we in een nationaal park rijden, zo veel natuur. Een meter lange hagedis steekt over en het is heel lekker weer.

We kijken met gemengde gevoelens naar het weerzien met Delhi. Delhi zal de enige stad zijn op onze reis waar we al eens eerder zijn geweest, en we herinneren ons de extreme hitte van 5 jaar geleden heel goed. We hebben alleen ook vernomen dat de moesson er ook aankomt. Het wordt een race tegen de moesson wie het eerst in Delhi zou aankomen, Het wordt steeds koeler en koeler onderweg, en als we in Delhi aankomen weten we wie er verloren heeft. Alles is zeiknat, en als we onze schoenen uittrekken druipt het water van onze sokken.

In sommige straten staat 30 centimeter water, en we zijn blij dat we een hotel hebben gevonden. Het is een nogal prijzig hotel, maar ze garanderen dat ze een parking hebben voor de motor en dat we onze bagage er kunnen achter laten als we naar zuidoost Azië gaan. Als we alle spullen hebben afgeladen vragen we naar de parking, en ze wijzen naar de zijkant van de weg. Oké, ze hebben gelukkig wel bewaking bij de deur die een oogje op de motor zou houden. Als we de volgende dag over de bagage opslag vragen weten ze opeens van niets, een uur of twee willen we wel op onze spullen letten, maar geen 2 maanden. Helemaal kwaad lopen we naar onze kamer, pakken alles in en lopen helemaal afgeladen naar bendeden. Arjan gooit de sleutel naar ze toe en we lopen weg op zoek naar een ander hotel. Ze sturen nog iemand achter ons aan omdat we maar een gedeelte van onze kamer hebben betaald, en dat we niet na 12 uur kunnen uitchecken. We vertellen wat we van de service vinden en hij laat ons verder met rust.

We kunnen ons nog heel goed Delhi van 5 jaar geleden herinneren. Onze eerste Aziatische stad, en de Lonely planet was onze enige houvast in die enge wereld. Het vast heel erg druk, en als het niet in Het Boek stond gingen we er niet slapen of eten. Nu is het best wel een relaxte plek, en door de regen nog koel ook. (30 i.p.v. 40 graden)

De motor brengen we naar Lalli Singh, een van de vele monteurs in een wijk waar honderden meters lang de ene motor naast de andere klem staat, en alles op motor en autovlak te koop is. Na 7500 kilometer zullen we meer dan 2 maanden niet meer op de motor rijden, en Lalli mag met zijn monteurs ervoor zorgen dat onze Enfield de sterkste Enfield op aarde in voor onze reis naar huis. Als we de volgende dag even terugkomen, zien we de motor al in al zijn losse onderdelen liggen, en is niets meer van de motor als geheel te herkennen.

Als we in een van de vele restaurantjes in de ‘Main bazar’ aan het eten zijn, zien we opeens 2 bekenden voorbij lopen. Peter en Brigitte hebben we op de boot naar de Andaman eilanden ontmoet, als we weer even praten klikt het gelijk weer. Ze hebben na twee en een half jaar reizen ook al een eind in zicht en willen net als wij over land naar huis, voor hun in Zwitserland. Zij gaan het zonder motor doen, maar met treinen en bussen.

Als we de volgende dag met Rene en Hanneke in gesprek komen blijken dat ook ‘bekenden’ te zijn, alhoewel we hebben ze nog nooit eerder hebben ontmoet. Zij zijn mensen van wie we het e-mail adres hadden gekregen omdat ze dezelfde droom hadden als wij, met de Enfield over land naar huis. Alleen na een week rijden kregen ze de grote pech dat Rene bij een val zijn sleutelbeen breekt. Ze hebben de motor een maand later weer verkocht omdat Rene wel genezen is, maar voorlopig niet meer mag rijden om rust te krijgen. Ze gaan nu wel over land terug, maar ook met trein en bus.

Vorige Volgende