2002 – Spanje, Marokko en Andorra

Frankrijk en Spanje

Arjan gaat alleen met de motor op pad. Over een week moet hij in Malaga zijn want daar vliegt Els naartoe. Het is de eerste keer dat hij alleen op vakantie gaat, en zonder het richtingsgevoel van Els staat hij met een bepakte motor bij de afslag om naar zijn werk te gaan. Als eenmaal de chaos van België achter de rug is gaat het snel de route péage op weg naar het zuiden. De tweede dag kan er al genoten worden op ‘Le route national’ van Frankrijk. Baguette, brie, salami, croissants maken het gevoel van zuidelijk Frankrijk compleet. De plaatsen waar ik langs rij staan al professioneel in de GPS, maar voornamelijk gaat het op de traditionele manier; borden ‘bis Espangne’ volgen. Omdat Els veel minder vakantiedagen heeft dan ik, en ze het helemaal niet zag zitten om 3000km achterop naar zuid Spanje te rijden, reis ik alleen. De tweede dag lig ik dan ook in m’n eentje twee meter lager dan de weg onder mijn motor. Even een foto maken! Bij het aan de kant van de weg zetten van de motor raak ik net met m’n enkel de motor aan en hij valt het lager gelegen land in. Wat is het eerste dat ik doe in zo’n situatie? Ik sta op, pak m’n fototoestel en maak de foto waar het allemaal om ging. Vervolgens krijg ik een totale instorting. Gelukkig duurt het niet lang voordat een busje met 5 Fransmannen stopt om de helpende hand te bieden. Één houdt het verkeer tegen, ik op de motor en twee voor en twee achter, en met veel moeite staat de motor weer op de weg. De Fransmannen willen natuurlijk wel weten wat er gebeurd is. Mijn “Je suis un Idiot!” verklaart veel. Met veel pijn in m’n knie rij ik nog 200km verder. Het plaatsje Condom wordt zelfs ongemoeid gelaten. Met pijn in de knie is er in Frankrijk maar één plek om zo snel mogelijk naartoe te gaan; Lourdes. De volgende ochtend valt het manklopen niet zo op tussen de kreupelen en de lammen. Allemaal hopen we hier op een wonder, en de knie voelt echt beter na veel ijskoud heilig water van Lourdes. Lourdes is echt een vreselijk gave plek. Na Lhasa (Tibet), Passipatinath (Nepal) en honderden Indiase pelgrimsoorden is dit weer een plek voor het pelgrimsgevoel in Europa. Iedereen loop rond met kruiken, jerrycans of zoals ik met m’n veldfles om water mee te nemen.

De heilige maagd is meerdere malen aan Bernadette verschenen, en om dit mee te beleven draait “Bernadette the movie” 7 dagen per week meerdere malen in alle talen. Van m’n laatste Lourdes water zet ik overheerlijke thee, en ik ben klaar om de Pyreneeën over te steken.

Via allerlei passen kronkel ik van de ene valei naar de andere, op zoek naar een pas naar Spanje die niet ingesneeuwd is. Aan de kant doen de fransen hun “le picknick” in de koelte van de bergen, en op de weg trappen wat toeristen zich wezenloos om met de fiets boven te komen. Eindelijk op een camping in Spanje aangekomen zet ik m’n tent natuurlijk naast een Nederlandse caravan. “Welke pas ben jij over gegaan? Ik ben met m’n caravan in de loop der jaren alle passen naar Spanje overgegaan, zelfs de hoogste!”. Of je nu de backpacker- of caravan- verhalen moet aanhoren, ze komen allemaal op hetzelfde neer. “Ik weet niet hoe die pas heet waar ik over ben gekomen, die ik wilde doen was nog ingesneeuwd.”. “O die pas die jij hebt gedaan is dus niet de hoogste, ik ben zelfs de hoogste pas overgestoken met m’n caravan!”. “Ach, het was een erg mooie weg die ik heb gedaan, en ik ben al met m’n motor op zo’n 4800 meter geweest.” “4800 meter, dat is hoger dan de Mont-Blanc!”, “Ja” knik ik, en ik heb de man nooit meer teruggezien.

Dit is de eerste keer dat ik in Spanje ben, en ik snap niets van het land. Aan de hand van het boekje “Hispanja fietsroute” rij ik over E, F en G wegen door het midden van Spanje. De wegen zijn verlaten, en in de dorpen is ook niemand te bekennen. Het brood is altijd oudbakken, de Chorizo te vet, en de campings onvindbaar, maar iedere dag dat ik dichter bij Malaga kom sta ik versteld van de schoonheid en weidsheid van het land. Slangen, salamanders en hagedissen schieten voor me weg, en in een grote weide staat El Torro.

Al vele jaren is er een plek in Spanje waar ik heel graag naartoe wil. La Mancha is een droge, niet zo spectaculaire streek, maar het spreekt wel tot mijn verbeelding door het boek van Miguel de Cervantes Saavedra “Don Quichotte de la Mancha”. Met een denkbeeldige lans in m’n handen ga ik op iedere windmolen af die hier in de streek staat. Er zijn nog maar een paar originele windmolens overgebleven, maar ieder dorp in deze buurt meent de geboortestad te zijn van de beroemdste fictieve inwoner van Spanje. Ook ik ben bezig met een Quest die bijna z’n eerste omslagpunt bereikt. Ik ben op weg naar “my lady”, mijn Dolcinea die met een motorpak en tenthamer staat te wachten tussen de zonaanbidders op het vliegveld in Malaga.

“Geen commentaar waar ik je nu naartoe ga brengen”, zeg ik als eerste tegen Els. ”Gisteren heb ik drie uur in de hitte rondgereden om een camping in Malaga te vinden. Eindelijk had ik er een gevonden, 5 kilometer van het vliegveld, ten westen van Malaga. We slapen vannacht in Torremolinos.” Om een onbegrijpelijke reden wil Els gelijk bootkaartjes naar Marokko regelen, en de volgende dag zitten we 8 uur op een boot, op weg naar de Spaanse enclave Melilla in Afrika.

Marokko

Er zijn maar weinig landen waar ik in Nederland zo veel negatieve verhalen over heb gehoord. Iedereen heeft zijn mening over Marokko klaar. De meeste zijn nooit in Marokko geweest, maar weten zeker dat in Marokko ook van die “kut Marokkanen” wonen, net als in Nederland. “Waarom ga je daar naartoe? Wie moet je daar ophalen als je helemaal kaalgeplukt je in de bosjes aan het verschuilen bent?” Gevoed met deze verhalen gaan we in het donker de grens over. Van het Spaanse Melilla gaan we in één kilometer een heel andere wereld in. Het is opeens 2 uur later, er is geen straatverlichting in Oost Marokko, slechte wegen, auto’s zonder licht en na nog geen honderd meter na de grens zien we iemand afgetuigd worden vlak naast de weg. Ik ben blij dat we in Nador aankomen, grensgebieden moet je niet ‘s nachts meemaken.

De volgende ochtend ziet alles er veel gemoedelijker uit. De straten zijn niet zo eng als gisteren, en alhoewel het verkeer chaotisch is, is het ook erg tolerant. We willen al jaren naar Marokko, maar weten niet waarom? We weten geen absoluut hoogtepunt te noemen wat we willen zien. Het is alleen omdat het er is. Wel hebben de koningssteden een grote aantrekkingskracht op ons.

We staan versteld van de grote hoeveelheid adembenemende varianten van droogtes. Aan de rechterkant reikt het Atlas gebergte hoog boven ons uit, en wij rijden zelf al uren op een kaarsrechte weg naar het zuiden. Opeens gaat de weg over in een kronkelweg, die ons hoger en hoger brengt. Een verkeersbord waarschuwt dat we boven de sneeuwgrens komen, en wij kijken hoopvol rond voor die ene sneeuwvlok die ons verkoeling zou kunnen geven. De verkoeling vinden we pas bij het hotel in Missour. Als enige gast met 10 man personeel om ons heen spetteren we in het zwembad, en eten we in het restaurant niet ‘a la carte’ maar we bestellen gewoon wat we willen. In Marokko kan je heel divers eten. De arabieren hebben hun eettraditie meegenomen met dingen die we nog uit het midden oosten kennen zoals fetir, kabab, kip en patat. De fransen hebben tijdens hun bezetting een franse eettraditie achtergelaten en ingewanden zoals maag, hersens en lever worden gegeten. Voor de Hollander op vakantie is er mayonaise op de patat en na Spanje eten we eindelijk weer eens lekker brood. De van origine Marokkaanse specialiteiten zijn Couscous (gemalen gepofte tarwe) en Tajine, een stoofpotje met in het midden een stuk vlees met daaromheen de groente, die gaar gestoomd worden op een laag houtskoolvuurtje. Het is niet helemáál waar dat we de enige gasten in het hotel waren, ook een vriend van de eigenaar is te gast. Hij wil in Missour gaan wonen, en moet zich dus bekend maken. Hoe kan je dat beter doen dan je heel belangrijk wanen, en buitenlandse vrienden meenemen op je kennismakingstocht door de stad. Soms moet je elkaar gebruiken om je doel te bereiken. Wij worden aan al zijn ‘vrienden’ voorgesteld en kunnen zo wat makkelijker in contact komen met de wat gereserveerde Marokkanen. Na Spanje is het een opluchting om weer met mensen te kunnen praten, en ze spreken hier vele talen. Naast Berber en Arabisch kennen de meeste mensen Frans, in sommige gebieden Spaans maar dat schiet bij ons niet zo op, en komen we veel mensen die Duits en Nederlands spreken. Iedereen heeft wel familie, of is zelf een tijd in Europa geweest om er te werken. Op een terras theedrinken, en weer een stukje lopen want er zijn nog meer terrassen met mensen waar sociaal mee gedaan moet worden. De volgende dag had de man nog een kennismaking met een dorp verderop in z’n gedachte, maar wij gaan zuidelijker. Het wordt steeds droger en warmer, en we zijn zo blij dat we hier niet over een maand rondrijden.

Na 75.000 kilometer op mijn oude Suzuki GS500 te hebben gereden, en nog eens 20.000 kilometer op de Enfield door Azië was het tijd voor een nieuwe motor. De Enfield is een prachtige motor, maar meer geschikt als je onbeperkte tijd hebt. Nadat ik gewend was aan het normale rijgedrag van mijn nieuwe Honda Africa-twin werd het tijd om de ‘stoere’ kant van de motor te leren kennen. De Africa-twin is een ‘all-terrain’ motor, en met het plan om naar Marokko te gaan, ga ik op zoek naar wat ruigere terrein dan het vertrouwde asfalt. Na wat smalle slingerdijkjes in de Alblasserwaard staat op een polderdijkje het voor motorrijders aantrekkelijke bord ‘Verboden voor auto’s’. Over de begroeide aarden wal liggen twee tractorsporen. Grote gaten in het pad doen me al heen en weer schudden, en takken en stenen schieten omhoog. Na een paar kilometer stuit dit pad opeens op een tien meter hoge zandheuvel die daar ligt in verband met de aanleg van de Betuwelijn. De zandheuvel is te groot en steil om er overheen te gaan, dus besluit ik maar om te keren. Langs het 1 meter brede dijkje loopt aan beide zijden een slootje, maar gelukkig is er net voor de zandheuvel een mooi vlak plateautje, begroeid met gras, waar ik de motor op zou kunnen draaien. Als ik met de motor op het plateautje kom zakt de motor gelijk tot zijn assen in het mulle zand dat verhuld was onder een laagje gras. De motor schuin houdend probeer ik met draaiend achterwiel de motor toch nog te draaien. Niet alleen graaft de motor zich nog dieper in, maar hij komt ook steeds dichter bij het water. Met een plank wat zand wegscheppen, en de zware motor optillen en weer wat verder zetten duurt het zo’n half uur voordat ik weer terug kan rijden, met maar een gedachte “Ik wil een chopper”.

Met deze off-road voorbereiding achter de rug rijden we de Sahara in op weg naar de beroemde zandduinen bij Erg Chebbi. Met twee personen op de motor met volle bepakking is het geen pretje om door het mulle zand naar een berg zand te brengen. Het wordt nog warmer en we besluiten maar terug te gaan, op weg naar Risanni. Dit zijn van die momenten dat een GPS heel erg handig zijn. In onze reisgids staan de GPS coördinaten van het einde van de asfaltweg, en we rijden daar zonder problemen weer naartoe. Het lijkt allemaal zo veel op elkaar hier, dat je makkelijk verdwaalt, al ben je maar 100 meter naast een asfaltweg.

Een oase stadje spreekt tot ieders verbeelding. Hier is ieder dorp een oase-dorp, anders kun je er gewoon niet overleven. We blijven een paar dagen in Risanni. Stoffig en kaal maar wat wil je anders in de woestijn. Drie maal per week ontwaakt deze stad en is er een levendige markt. Van alle kanten komen de ezels met daarop het koopwaar naar de markt. De ezel is het belangrijkste transportmiddel in dit deel van Marokko. Ze worden op een groot plein geparkeerd, en als je geluk hebt, heb je er volgend jaar gratis een nieuw transportmiddel bij. Probeer dat maar eens met een auto. We vermaken er ons goed, alleen is het overdag te warm om wat te doen, en ’s avonds te warm om te slapen. Na het douchen niet afdrogen, naakt op bed liggen en wachten tot je opgedroogd ben, en dan weer douchen. Op deze manier krijg je niet veel kracht om weer de motor te pakken en de woestijn door te rijden naar de volgende stad. Op een terras beginnen twee Marokkanen met wat ze doen lijken op het meest intelligentste spel op aarde; domino. We schuiven aan om mee te spelen, en het eerste spelletje verliezen we gigantisch, maar ze hadden dan ook nog niet de spelregels uitgelegd. Vanaf dat moment is de revanche aan ons. We hebben dan wel als voordeel dat ze niet verstaan wat wij tegen elkaar zeggen, zelf zijn ze kennelijk niet zo gemeen. Na een paar uur vragen we of ze een goed restaurant in de buurt weten, en we krijgen een heel vreemd antwoord. “Mijn vriend is een gewoon soldaat.”, Het blijkt dat hij ons wil uitnodigen. Als we op z’n uitnodiging ingaan wordt hij wat zenuwachtiger, hij moet het nog zijn vrouw vertellen. Marokkanen zijn in het algemeen de meest doortrapte mensen die we hebben meegemaakt. Ze bieden je van alles aan als ze weten dat je het niet wilt. Als je net klaar bent met eten vragen ze of je bij ze komt eten, als je na wat gedronken te hebben opstaat vragen ze of je wat wilt drinken enzovoort. Maar deze keer was de uitnodiging geheel oprecht en twee uur later lopen we achter onze nieuwe vrienden aan naar de militair zijn huis. Muntthee en koekjes, en er wordt ergens een tv geleend. Als alle verschillende koekjes uitgeprobeerd zijn komt een grote schaal met de meest overheerlijke couscous naar binnen. We beginnen allemaal met een lepel omdat het nog warm is, maar als het enigszins kan gaan we over op de hand. Ieder heeft zijn eigen stukje van de grote schaal, en met de volle hand kneden we ballen couscous met kip en een zoete saus. We hebben in heel Marokko nooit meer zo lekker gegeten. Tegen middernacht gaan we weer naar het hotel, en eindelijk is het weer wat koeler. Op straat wordt er gevoetbald en wij nemen afscheid, want morgen moeten we weer verder. We hebben eindelijk de moed om weer weg te gaan. Op weg naar de bergen.

We zijn gewend dat de reisgidsen altijd heel behoudend zijn, en we kunnen de Footprint en de Lonely planet nu wel inschatten met wat ze beschrijven. Voor Marokko hebben we een Duitstalige reisgids (“Reise know how”) gekocht. Het is de enige die we konden vinden met GPS coördinaten ter ondersteuning van de beschreven routes. De reisgids beschrijft een hele mooie tocht door de bergen, en betitelt dit met “műhsame Rundfahr”. Mijn eerste gedachte is, dat zal wel meevallen. Els heeft er al een slapeloze nachten van gehad, maar ik krijg toch mijn zin. Wij gaan kijken wat “műhsame Rundfahr” betekent voor deze reisgids. We rijden van de Todrha vallei naar de vallei van de Dadès. We staan op een camping net voor de kloof van Todrha. We gaan vroeg op pad, zo vroeg dat we gratis dit gebied in kunnen waar gisteren nog entree werd geheven. We rijden even door de nauwe kloof, en de weg begint al gelijk slecht te worden. We moeten twee waterstroompjes door, en we rijden langs grote vrachtwagens. De Marokkaanse regering is hier een nieuwe weg aan het aanleggen om dit gebied wat meer te ontwikkelen. De dorpen hier hebben sinds een jaar elektriciteit, en binnenkort dus een weg.

Na het eerste dorp moeten we van de weg af, en komt het echte werk. De omgeving, en het dorp doet ons erg veel denken aan Nepal en Tibet. En eigenlijk gaan we gewoon een trek maken, maak dan met de motor. Nog een keer vragen waar we naartoe moeten, na het dorp gelijk naar links. Dat klinkt niet moeilijk, alleen is er na het dorp geen weg naar links. Er gaan sporen alle kanten op. We proberen wat verschillende sporen te volgen, maar lopen steeds dood. Van alle kanten rennen er kinderen op ons af die ons willen helpen. Standaard zinnetjes opratelend vertellen ze ons dat zij de goede weg kunnen aanwijzen. We vragen het maar aan een wat ouder jongetje, die wat later komt aanrennen. In redelijk goed en rustig engels verteld hij waar we heen moeten. “Heb je zin om het eerste stuk even te laten zien, dan kan je achter op springen.”. Els laat ik achter tussen de nog steeds ratelende kinderen, en de jongen zit zo’n 5 minuten achterop om het eerste stuk uit te leggen. Weer handig zo’n GPS om de weg dadelijk met Els achterop zonder problemen weer terug te vinden. Alles lijkt heel erg op elkaar. Als ik weer terug ben, en Els een verlossende blik op haar gezicht toont, vraag de jongen om een “present”. Ach hij heeft een leuk stukje achterop gezeten, maar ik geef hem nog wel 5 dirham (DH). Hij haalt zijn neus ervoor op en zegt, “Normaal krijg in 50 dirham om de weg te wijzen.” Nou van ons krijg je geen bedrag dat je vader op een dag verdient met hard werken, wij zijn niet van die onwetende stomme toeristen. Wil je de 5 dirham? Maar blijkbaar teert hij nog steeds op zijn eerder vergaarde kapitaal, en wil het minderwaardige geld echt niet aannemen.

De weg wordt steeds moeilijker. Er is eigenlijk geen weg meer, slechts een gedeelte waar niet willekeurig bosjes en plantjes groeien. Steil omhoog gaan we, en dan weer steil naar beneden. De motor staat voornamelijk in zijn eerste versnelling, soms laat de weg het wel eens toe om door te schakelen naar zijn tweede. Regelmatig moeten wij rusten van het harde werk, en de motor raakt er natuurlijk ook oververhit van om in die versnelling te loeien. De 40 kilometer van de piste (zo heet een onverharde weg in Marokko) doen we uiteindelijk in 5 uur, en we zijn bekaf. Het dorp aan de andere kant van de pas waar we net over zijn gegaan heeft weer als laatste dorp aansluiting op de asfaltweg. We rijden door het ook zeer mooie kloof van de Dadès, en verlangen alleen maar om weer op de camping uit te kunnen rusten. We weten nu dat Duitsers geen geintjes maken als ze het hebben over “műhsame Rundfahr” Nog een dag uitrusten, en we gaan weer verder. Vandaag rijden we straat van de kashba’s, een doorgaande weg die beroemd is om zijn kashba’s. Kashba’s zijn huizen van leem, stof en hout waarin hele families wonen. Ieder jaar moet de weggewaaide en weggeregende leem worden aangevuld om het huis. Bij sommigen is de moderne tijd ook aangebroken, en worden de kashba’s van beton gemaakt. Van een afstandje is het verschil niet te zien, want de traditionele bouw is ook recht en hoekig.

We moeten verder de Atlas oversteken, en via de kam van de bergen rijden we weer naar beneden. Overal worden stenen aangeboden. De bergen hier leveren de mooiste stenen, maar degene die te koop worden aangeboden zijn nog mooier. Die kleur zilver, roze en lila hebben toch erg veel weg van een spuitbus.

Marakesh is een van de vier koningssteden in Marokko. Op de huidige hoofdstad Rabat na zullen we ze allemaal bezoeken. De medina (oude binnenstad) is gigantisch, en de souk (marktwijk) is wel één van de mooiere die we hebben gezien, maar het toppunt van Marakesh is het ‘jemaá el Fna’ plein. Overdag is het plein vrij rustig en staat een grote rij jus d’orange verkopers klanten te lokken. Wij zijn trouw aan kraam nummer 15, waar we uiteindelijk zo’n 8 liter per persoon drinken. Tegen de avond komt er meer leven in. Eettentjes worden iedere dag weer opgebouwd, straatartiesten doen hun trucs, verhalen vertellers houden de luisteraar in spanning en voor alle problemen kun je terecht bij de sjamaan. Een verzameling van bijna uitgestorven dieren en planten ligt op zijn kleedje en vormt een medicijn voor ieder kwaaltje. Slangen, hagedissen, vogels hebben hun magische krachten. Ik ben helemaal gek op reptielen, en speel even met een kameleon. Ze worden gebruikt om de toekomst te voorspellen, en de gebruiksaanwijzing is heel eenvoudig. Men gooit 1 kameleon is een vuurtje, ontploft de kameleon is dat een goed voorteken, ontplof hij niet, een slecht. We lopen maar weer verder en halen nog een jus d’orange.

Marrakesh is een zalige stad om een paar dagen rustig te genieten, maar we snakken toch ook maar wat meer rust en koelte, daarom gaan we wat zuidelijker de hoge Atlas in. Een hotel in de bergen moet ons rust geven. We rijden tot het einde van de bergweg en worden in een hotel gelokt. Wat wil je vanavond eten, we hebben zalig eten. Als je vanavond Tajine wilt, moet je dat op tijd bestellen want het wordt speciaal voor jullie gemaakt. We zijn nog steeds niet uitgekeken op de Tajine, en gaan er weer voor.

Deze plek is voor veel Marokkaanse toeristen een geliefd dagtochtje vanuit Marrakesh. Het moet een kleine wandeling zijn naar de watervallen, en daar gaan we dus heen. Als we richting de rivier lopen die we over moeten steken dringen een paar gidsen zich weer aan ons op. “Jullie hebben een gids nodig om naar de watervallen te gaan!”. Wij zoeken onze eigen weg. Hoe moeilijk kan het trouwens zijn om een waterval te vinden.

Omdat het zo’n populaire dagtocht is, staan langs de kant van de weg restaurantjes en souvenirstalletjes. Het is dus gewoon een kwestie van de winkels volgen. Aangespoord door de drang naar wat meer rust, zien we een grote blauwe pijl met iets in het Arabisch eronder (waarschijnlijk waterval) over het hoofd, en al snel vinden we de rust die we zochten, maar de waterval is nergens te bekennen. Een andere manier om een waterval te vinden is: men volgt water. Als we via een steile helling omhoog zijn geklommen, en ons steeds meer realiseren dat dit niet de juiste route is, komen we een stroompje water tegen. We volgen dit water, dat steeds dieper wordt. We staan al tot onze knieën in het water van het, dat vernuftig is gebouwd langs de bergwand. De berg gaat ook nog eens over het kanaal hellen, en er zit niets anders op dan een andere weg te zoeken, bijvoorbeeld waar al die toeristen lopen, 30 meter lager. Eerst klauterend naar beneden, langs de stenen muur van het kanaal, en verder langs de berg zelf komen we aan bij de waterval.

Moe en hongerig van de uiteindelijk lange wandeling keren we terug naar het hotel, en kijken al uit naar het eten. Woorden schieten ons te kort als we uiteindelijk het eten zien. Wat is dit? “Traditional Tajine”, McTajine zal je bedoelen, want het stoofschoteltje met veel groenten en wat vlees is hier volgens eeuwen oud Amerikaans recept gemaakt. Een stuk kip met wat patat erover.

Als we plannen maken om naar bed te gaan, zien we net dat veel mensen met allerlei dingen beginnen te slepen. Uit alle lege kamers worden de matrassen naar buiten gebracht, en worden tegen het hotel aan gestapeld en wordt bedekt met een glimmend kleed. Uit een busje komen instrumenten en een drumstel en tientallen vrouwen komen voor het hotel samen. In spanning blijven we nog maar even op. Om 12 uur ’s nachts gaat het allemaal beginnen. Een meisje uit het dorp gaat trouwen met een veel oudere man uit Casablanca, en dat moet uitgerekend bij ons gebeuren. Het is wel erg leuk om dit allemaal gaande te slaan, maar van rust zal het er niet van komen. Het is blijkbaar en vrouwenfeest, want er zijn maar een paar mannen, die met harde hand op afstand van de vrouwen worden gehouden. Dansen, zingen en iedereen gaat apart met het bruidspaar op de foto. In Aziatische landen zijn we gewend dat je bij zo’n feest een bijzondere gast bent, alhoewel je de mensen nog nooit eerder hebt gezien. Maar Marokko ligt niet in Azië, en wij worden volledig genegeerd. Om 3 uur gaan we maar met oordoppen in slapen.

Moe van de weinige nachtrust gaan we de volgende dag weer verder, bang voor nog een nacht bruiloft. We rijden weer verder, en in het ski-resort vinden we eindelijk de verkoeling waar we naar zochten. Jammer genoeg is er geen sneeuw, en lijkt het stadje nu op een spookstadje. We horen dat we vanaf hier via een makkelijke piste naar de andere kant van deze bergen kunnen komen. Na uren rijden zien we eindelijk dan de asfaltweg aan de andere kant van de bergen, en dan liggen we opeens op de grond. Els heeft last van haar schouder, en mijn voet ligt tussen de koffer en de grond en mijn knie heeft weer een klap te verwerken gehad. De andere koffer aan de zijkant van de motor heeft een grote deuk, hoe kan dit nou allemaal weer? We kijken om, en zien een grote steen aan de zijkant van de weg die we geraakt moeten hebben. Mijn ideale weg liep net langs een onschuldig lijkend bosje, met daarachter geheel gecamoufleerd een grote rots. Met mijn koffer zijn we ertegenaan gereden, en zo’n klap is op een piste niet meer te corrigeren. Gelukkig is het nog maar 5 kilometer naar het stadje waar we heen wilden gaan. Bij het eerste winkeltje storten we neer, en drinken we ons vol. Gelukkig is op 50 meter afstand een jeugdherberg waar we verder kunnen bijkomen.

In Asni is heel de week niets te beleven, behalve als er markt is. Weer zijn er de vele ezels die de spullen brengen, en hier ook veel glimmende toeristen die op een dagtochtje vanuit Marrakesh zijn. Deze keer moet de genezende werking uit donuts en thee komen. We proberen een andere plek om vandaag te eten, maar op een markdag zijn de prijzen 4x hoger dan op een normale dag. We gaan maar naar hetzelfde restaurant als gisteren, en vragen geeneens naar de prijs en bestellen gewoon. Als we de tajine krijgen komt er nog een ober naar ons toe en fluistert “Jullie hebben hier toch gisteren ook gegeten, jullie weten dus de prijs”.

De westkant van de Atlas is veel groener dan waar we in het begin van de reis waren. We zijn weer op weg naar een waterval, maar we vragen ons af waar die waterval moet zitten, want het land is hier heel erg plat. Toch moeten we er bijna zijn, het verkeersbord heeft het over nog 5 kilometer naar Ouzoud. We lopen een klein stukje langs het water, en kijken dan opeens honderden meters naar beneden waar dat water verdwijnt.

De watervallen van Ouzoud zijn echt fantastisch, alleen jammer dat we niet de enige zijn die dat weten. Langs het steile pad naar beneden is staat het vol met restaurantjes, en een stukje verder zijn de campings voor backpackers. De hele dag Bob Marley muziek, en de populaire Marokkanen die hier rondlopen hebben rastahaar en kijken stoned uit hun ogen. Zoals altijd als de mooie plekjes op aarde worden gecommercialiseerd ligt er afval in de bosjes, wordt drugs verkocht en lopen veel mensen rond die willen profiteren van de toeristen. Wij hebben een prachtig plekje op een verder lege camping gevonden, en sluiten ons dan ook af van dit allemaal. We maken geen gebruik van de bootjes om over te varen, maar zwemmen over, koken zelf ons eten en genieten vooral van al het mooie dat hier aanwezig is.

Meknes is de volgende koningsstad waar we weer dwalen door de souk. Het is wel erg frustrerend dat alle musea en paleizen en moskeeën gesloten zijn. In Marokko mogen alleen moslims de moskeeën in, dit als reactie op de niet zo tactische fransen tijdens hun bezetting die met schoenen aan de moskeeën binnenstormden. De paleizen en musea zijn al jaren met UNESCO geld in reparatie. De reparaties duren alleen wat langer dan verwacht want in dit corrupte land verdwijnt nogal wat geld in andere kanalen. Zo kom je midden in de woestijn regelmatig een koninklijk golfterrein tegen met het friste gras dat je kunt voorstellen, en hebben de privé paleizen van de koning een hogere prioriteit voor restauratie. De fransen vonden de Arabische medina’s maar niets. Veel de chaotisch en beklemmend, en maakte in iedere stad hun eigen wijk die ze de nieuwe stad noemden. Brede straten, en erg franse uitstraling hebben de wijken, maar wij houden van de doolhoven.

De grootste doolhof is de medina van Fez. Naast de steegjes die alle kanten oplopen, ligt de grote medina ook nog eens op een heuvel, zoadat al het richtingsgevoel volledig verdwijnt. Hier heb je volop niet officiële gidsen en jongetjes die zich voor gids uitgeven om je door het doolhof te leiden. Ze vragen niet of ze als gids mogen spelen, maar dringen zich gewoon op. “No way”, “this way”, “Big mosque”, “50 dirham”. Ze blijven ook stug volhouden, en zijn zelf heel irritant. Gelukkig hebben we in India de eeuwenoude hindoeïstische brahmaanse methode van negeren geleerd, en dat is het enige dat helpt.

Verscholen in het doolhof zijn er de vele handwerklieden die harder moeten werken voor een paar rotcenten. De leerlooiers leven hun leven tussen de rottende huiden, die met chemicaliën gemaakt uit duivenstront worden schoongemaakt, en waar later tassen, schoenen en poefen van worden gemaakt. Natuurlijk weer de opdringerige gidsen als je even komt kijken, die gelijk een bosje munt onder je tere westerse neusje drukt. Het stinkt wel, maar niet zo erg als dat iedereen roept. Els heeft nog steeds haar trauma’s van een franse camembert fabriek, en ik heb nog nachtmerries van de Heineken brouwerij.

De arbeiderswijken vinden wij wel altijd de leukste plaatsen om rond te lopen. We zijn aangekomen in de laatste dagen van onze rit door Marokko, en het is dus tijd om souvenirs te gaan kopen. Met de motor is het altijd een probleem om extra spullen mee te nemen, maar we hebben ruimte gemaakt voor heel veel aardewerk.

Fez staat bekend om zijn blauwe aardewerk op witte klei. We hebben al wat ik de souk gekeken wat we mooi vinden, maar we weten nog geen prijzen. In de nieuwe stad is er bij de dure 5 sterren hotels een staatszaak met vaststaande prijzen. We kijken onze ogen uit, en onthouden de prijzen als richtprijzen bij het onderhandelen in de souk. Van hier nemen we de taxi direct naar de pottenbakkers souk, waar toch de laagste prijzen moeten gelden. De pottenbakkers souk is alleen verplaatst naar net buiten de Medina, en we lopen een man achterna naar de fabrieken, die daar natuurlijk toevallig werkt. We zien de verschillende productie processen, en kijken rond in de grote hal met nog een paar groepsreizigers die naar deze ‘goedkope’ plek zijn gebracht door hun gids. Er wordt al gefluisterd dat wij 30% korting krijgen op de prijzen die op het aardewerk staat, maar dat vinden wij niet genoeg. Wij zitten meer aan 90% korting te denken, want alles is hier wel heel erg duur geprijsd. We lopen rond, en het is eigenlijk ook helemaal niet zo mooi als we in die staatswinkel zagen, en nog duurder ook, zelfs met korting. Er is nog een fabriekje naast deze, maar daar eigenlijk hetzelfde verhaal. We hebben eigenlijk medelijden met de goedgelovige tourgroepen die op de kennis van hun reisleider afgaat. Ze betalen veel te veel voor een slechte kwaliteit. We nemen maar weer een taxi terug, en gaan ons te buiten aan aardewerk. We proberen het toch nog even, ” Discount please”. Maar het standaard zinnetje “No, fixed prices” komt gelijk. Nog even proberen “But look at how much we buy.”, en we krijgen toch nog 10% korting. Het is soms zo makkelijk om korting te krijgen, al is het al veel goedkoper dan dat je het op de markt zou kopen.

Het laatste stukje rijden we door het rif, het noordelijke stuk van Marokko bij de straat van Gibraltar. De meeste toeristen komen niet verder dan hier, en het zijn veel fransen en Spanjaarden die zich hier ophouden. De mensen in Marokko zijn heel moeilijk op de foto te krijgen. Als je een fototoestel te voorschijn haalt hoor je van alle kanten roepen; “No photo! No photo!” In het rif is dit nog erger. Ik vraag vriendelijk of ik een foto kan maken, en iemand loopt hard gillend weg.

De belangrijkste toeristische attractie van het rif is drugs. De bevolking mag legaal marihuana verbouwen, en ze weten zeker dat iedere toerist het wil kopen. Soms weet je het zelf alleen nog niet. Mensen schijnen van de weg af gereden te worden en gedwongen te worden om het goedje te kopen. Denk je dat je met kopen van het gezeik af bent, staat een stukje verder de ingelichte politie je op te wachten. Koop je niets, dan wordt er in een onoplettend moment even wat verstopt, want anders staat die politie daar maar voor niets. De meeste busjes hier zitten vol wazig voor zich uitkijkende toeristen. Gelukkig zijn er ook grote uitzonderingen en sluiten we Marokko af op een camping met een goed gesprek met andere wereldreizigers, die we vast nog wel ergens zullen tegenkomen, in Midden Amerika misschien?

Spanje

Wat grensformaliteiten, en we zijn in Cueta, de tweede Spaanse enclave in Afrika. We gooien de benzinetank vol voor 0,50 euro per liter en na 35 minuten staan we aan de andere kant van de straat van Gibraltar. Het verkeer is gelijk weer helemaal anders. Het is drukker en er wordt harder gereden. Dit is voornamelijk mogelijk doordat je erop kunt vertrouwen dat de wegen hier zonder gaten en putten zijn. Als we toch zo dichtbij zijn gaan we even naar Tarifa. Dit is het zuidelijkste puntje van vasteland Europa, en Marokko kunnen we aan de andere kant van het water zien liggen. Nonchalant rijden we een stoep bij een supermarkt op, “Shit lekke band”. Maar op dit moment zijn we ook weer zo blij dat we weer in Europa zijn, want hier hebben we de wegenwacht. De communicatie met Spanjaarden loopt heel moeizaam. In tegenstelling tot de Marokkanen spreken ze niets anders dan Spaans, en ze hebben helemaal geen geduld. We waren natuurlijk wel voor lekke banden voorbereid, maar aan onze tubeless reparatiesetje hebben we niets, want we schijnen ook een binnenband te hebben. We hadden er toch niet veel aan gehad, want onze buitenband was aan de binnenzijde gescheurd. Eerder op de dag deed het wiel ook al raar, het was alsof de band door z’n enkel ging. Els zat zich al ongerust te maken dat ze de volgende dag alleen met de bus naar Malaga moest gaan, maar met ANWB alarmcentrale vertaalhulp is het uiteindelijk gelukt. De monteur bleef maar over Camera, Camera zeuren en we snapten niet wat hij wilde. We laten het hem op een briefje zetten dat je in Malaga aan een motorzaak moeten geven. Daar blijkt dat Cámara de Aire binnenband betekend, en hij had niet de juiste maat. We kunnen eindelijk uren in de file rijden langs de costa del sol. Veel Nederlandse Marokkanen staan met afgeladen auto’s op weg naar de boot. Nog een dag Torremolinos, waar we een bekende tegen komen die daar 4 weken geleden ook al stond, en dan gaan we richting huis. Ik probeer nog eerder thuis te komen dan Els, maar kan toch niet tegen het vliegtuig oprijden. De eerste dag alleen autosnelweg terug, en de tweede een dagje lekker in de Pyreneeën rondrijden. Het oosten van de Pyreneeën is veel ruiger dan het westelijke gedeelte. Na uren kronkelen over de bergwegen kom ik aan bij de grens met Andorra.

Andorra

25 bij 29 kilometer is dit landje tussen Spanje en Frankrijk. Andorra heeft geen eigen munteenheid, maar de meeste van de 65.000 inwoners zijn schatrijk. Het lijkt wel of er vandaag net zoveel motorrijders aan het winkelen zijn in de vele motorzaken. Andorra is een van de vele ministaatjes die ook een belastingsparadijs zijn. De spullen zijn spotgoedkoop door deze lage belastingen, en het landje is dan ook voor veel buitenlanders een winkelparadijs geworden. Maar weinig plek langs de enige doorgaande weg is niet in beslag genomen door een winkel. Ik koop dan ook een nieuwe koffer voor de motor voor de helft van wat die in Nederland kost, en 5 pakjes shag voor mijn vader die bij thuiskomst gestopt blijkt te zijn met roken. Andorra is geen plek om langer te blijven, en ik wil er zo snel mogelijk uit. De weg naar Frankrijk zou volgens de ‘Lonely Planet’ lijken op de weg naar Ladakh, maar ik kan me in Noord India geen lange rijen caravans en personenauto’s voorstellen. Ik rij de 2408 meter hoge pas over en aan de andere kant doe ik mee aan de reuzen slalom. De groene paaltjes moeten aan de rechterkant blijven, de rode aan de linkerkant en tevens moet je ook langs de loslopende paarden, en de zeer lange rij wachtende auto’s manoeuvreren. De wachttijd is minstens ander half uur om dit winkelparadijs uit te mogen, want auto voor auto moet door het uitgangspoortje, en wordt gecontroleerd op smokkelwaar. Met een motor kun je niet zoveel meesmokkelen, dus mag ik langs alle auto’s doorrijden.

Na 2 dagen achtereen 800 kilometer gereden te hebben, wordt de laatste dag met 1000 kilometer afgesloten. Om 18:00 zit ik weer thuis bij els, en kan ik nog een week bijkomen van de reis.

Arjan & Els 10-07-2002