2004 – Sri Lanka

“What is the purpose of building a bicycle like that?”
Dit is niet het enige waarover iedereen zich verwondert als ze onze ligfietsen in Sri Lanka zien. Auto’s, brommers, motoren, 3-wielers, vrachtwagens en bussen om ons heen gaan langzamer rijden als ze ons zien. In ongeloof wordt er naar ons gekeken. Minibusjes vol Singhalese toeristen halen ons langzaam in, stoppen vervolgens aan de kant, en als wij gepasseerd zijn worden we weer langzaam ingehaald. Soms hangen ze met een fototoestel uit het raam. Het gaat gelukkig altijd met een mooie glimlach. Dat al het verkeer langzamer gaat is een voordeel, maar soms blijven ze zo dicht langs ons rijden dat het gevaarlijk is. Op het laatste moment moeten ze uitwijken voor die aankomende bus, die ook zo dicht mogelijk bij ons wilt rijden.

Mensen die aan de kant van de weg staan te wachten roepen opeens haastig naar binnen. “Kom snel naar buiten, kom kijken, dit heb je nog nooit van je leven gezien.” Vijf, zes, zeven mensen komen naar buiten stormen en ongegeneerd worden we uitgelachen. Brommers en fietsen halen ons in, stoppen bij hun dichtstbijzijnde vrienden om onze aantocht al aan te kondigen. We zijn in Nederland gewend dat een ligfiets niet heel gewoon is, maar dit in Sri Lanka overtreft alles.

Els heeft bij vele maatschappijen nagevraagd om zo goedkoop mogelijk naar Sri Lanka te vliegen. Een probleem was natuurlijk de fietsen. Sommige maatschappijen nemen helemaal geen fietsen mee, andere doen niet zo moeilijk en moet je de fietsen gewoon als overgewicht betalen. Voor een gewone fiets is dat niet zo’n probleem, maar onze ligfietsen wegen 22kg per stuk, en dat à 40 euro per kilo wordt het nogal een dure bedoening. Uiteindelijk gaan we mee met een chartervlucht van Neckerman. Voor 660 euro (p.p.) vliegen we direct, zijn alle luchthavenbelastingen betaald en voor 90 euro (p.f.) extra mogen de fietsen mee. Van deze strandvakantie verlengen we het aantal dagen naar 30, en de hotelovernachtingen naar het minimum van 1.

Nooit meer zullen we commentaar hebben op wat mensen aan zooi meenemen op vakantie. Samen hebben we maar 10 kg aan normale bagage, maar de ligfietsen zitten ieder in een hele grote doos van 2 bij 1 meter. Iedereen kijkt ons na, en dan hebben ze nog niet eens de ligfietsen gezien.

Als we na 10 lange uren vliegen in Negombo aankomen zijn de fietsen, in tegenstelling tot ons, praktisch ongeschonden. De fietsen zijn alleen een heel eind gedemonteerd, en we hebben geen zin om ze nu in elkaar te zetten. We blijken vreemd genoeg op de transfer lijst bij de hostess van Neckerman te staan. “Jullie kunnen mee, maar die fietsdozen zijn een probleem, dat hadden we van te voren moeten aanmelden”. We halen papieren van ons reisbureau te voorschijn en we kunnen mee in de bus van de vliegtuigcrew. Nadat we onze jetlag hebben uitgeslapen in een te duur airco hotel, dat bij de charter zat, gaan we op pad.

Iedere dag krijgen we de zelfde vraag; “What time you want breakfast?” “Any time o.k.” We willen vroeg vertrekken, om 06:00 ontbijt? “Maybe 08:30 ?” Misschien is het beter als we onderweg eten? “I think so too !!”

Om 06:30 vertrekken we bij de eerste zonnestralen. De wegen zijn nog uitgestorven, en het belangrijkste is dat het nog koel is. De mensen van de hotels zijn meestal al wakker, want ze willen het wegrijden van die vreemde fietsen niet missen. Iemand vraagt: “Jullie rijden zeker nu naar het noorden, alle fietsende Nederlanders gaan via die route”. Nee? We gaan nu naar het oosten, van Negombo naar Kurunegala en dan naar Polonnaruwa. Maar hebben jullie dan geen routeboekje? Routeboekje? Waar zouden we een routeboekje van moeten hebben. We hebben zelf een route bedacht. Op de GPS hebben we de grootste steden staan, zodat we de hemelsbrede richting weten waar we naartoe moeten rijden. Op onze Duitse “Reise Know how” kaart staan de meeste doorlopende wegen. Thuis een precieze planning maken is altijd moeilijk. De wegen zijn op de kaart zijn opgedeeld in rode, gele, witte en grijze wegen maar wat dat inhoudt blijft altijd de vraag. Het is van groot naar klein, maar wat is de kwaliteit? Hoe druk zijn de wegen? We hebben al snel door dat we de rode wegen moeten vermijden. Dit zijn de snelste, nieuwste maar ook de drukste wegen. Als we de weg vragen worden we altijd naar deze wegen verwezen, als is het kilometers verder. Wie wil nou over die kleine weggetjes rijden? Het is nog best te doen om hier te rijden, maar leuk is het niet. Bussen en vrachtwagens maken hier een oorverdovend geluid, en het is te druk om naast elkaar te rijden. De gele weggetjes zijn al veel leuker, hier kunnen we al genieten wat er om ons heen gebeurt. Behalve de grijze wegen, en de wegen die niet op de kaart staan zijn ze verder allemaal geasfalteerd. Ze zijn meestal ook in goede staat, maar hoe provincialer het weggetje des te meer putten, en scheuren in de weg zitten. De niet asfaltwegen zijn rode aarden wegen die tijdens de droge periode rijden als asfalt.

Er wordt in Sri Lanka veel gefietst. Er rijden zelfs wielrenners rond die op 1 versnelling aan het trainen zijn voor de jaarlijkse wielerwedstrijd. De andere fietsers komen nooit met hun fiets het dorp uit. Als een fietser een stukje mee rijdt, en we vragen waar hij naartoe gaat antwoord hij altijd “Naar huis” en draait hij bij de dorpsgrens weer om.

Sri Lanka is geen populair backpackers land. Voor de meeste westerse toeristen is het de eerste of tweede kennismaking met Azië na Thailand. Er wordt meestal heel luxe gereisd. In de treinen en bussen zien we bijna nooit bleekgezichten, en pas op onze laatste fietsdag zien we de eerste mede fietsreizigers, natuurlijk Nederlanders.

Door al die luxe reizigers wordt het voor ons lastiger om op onze manier te reizen. Veel meer dan in andere Aziatische landen voel je dat mensen hun slag willen slaan als ze je helpen. Een lift met een vrachtwagen moet 2 weken loon kosten in plaats dat ze het leuk vinden om een reiziger te helpen. Een ander probleem is dat we bijna niets kunnen vragen. Als we om een restaurant vragen wordt er gezegd dat 25 kilometer verder een toeristen restaurant is, terwijl we uiteindelijk heerlijk bij de buren eten wat we in eerste instantie niet hadden gezien. Als we de richting willen weten worden we altijd naar de grote weg verwezen, al is het binnendoor dat we op goed geluk nemen tientallen kilometers korter. Een hotel kunnen we ook nergens vragen. Op plekken waar we zeker van zijn dat er een pelgrims hotel moet zijn wordt tegen ons gezegd “Next 5 star hotel 50 kilometers away”.

Polonnaruwa is onze eerste toeristische stop. We hebben de afgelopen 2 dagen 200 kilometer gefietst, en blijven hier een paar dagen rusten. Vooral de laatste 50 kilometer van Naula naar Elahera, Angamedilla en langs het Ganangolla meer naar Polonnaruwa waren echt fantastisch. De hele dag hebben we geen grote voertuigen gezien, en we rijden door dorpen die niet op onze kaart staan, en een stuk door een natuur reservaat met wilde olifanten. We hebben lang nagedacht of we dit wel aandurfden, want we zijn al eens achterna gezeten door een olifant, maar toen zaten we op een motor. Nu op de fiets zouden we hem niet te snel af zijn. Gelukkig geen wilde beesten vandaag. Er zijn onderweg wel veel beesten te zien. Er zijn veel honden, die nu en dan luid blaffend een stukje met ons mee rennen, maar we zien ook veel blauwe, groene en rode vogels, verschillende parkieten, kingfisher, pauwen, monitor varanen van 2 meter, mangoest, en een 3 meter lange slang.

Twee van die lange dagen fietsen vallen Els wel erg zwaar. We rijden op een ligfiets omdat het een prachtig vervoersmiddel is, maar zeker ook omdat Els op een gewone fiets nooit zo lang zou kunnen fietsen. Nu heeft ze wel veel pijn in haar handen, vingers en armen, van het remmen en schakelen en kan vannacht heel slecht slapen.

In Polonnaruwa slapen we in het Devi’s guesthouse. We hebben in verschillende soorten hotels geslapen. Dit is een familie die een paar kamers bij hun huis heeft gebouwd om te verhuren. Het geeft een erg gemoedelijke sfeer. Iedere avond eten we bij de familie, en iedere avond wordt er ander eten voor ons klaargemaakt. Op deze manier leren we snel alle verschillende curies kennen van Sri Lanka. Rijst en curry is het belangrijkste eten voor de Singhalesen, maar ze hebben de keuze uit heel veel verschillende curies. Vis, rund en kip curies hebben we niet zoveel gegeten omdat we meestal niet zoveel dieren eten in Azië. Aardappel, jackfruit, ananas, mango, okra, kool tomaat/spinazie, boontjes, aubergine, en witte paddestoelen worden in lekkere curries omgetoverd.

Heel veel verschil is er niet tussen de ene en de andere curry. Gelukkig zijn er ook veel moslim eetplekken waar we ons te goed doen aan het voedsel waar we gek op zijn zoals biriani. Ook eten we veel short-eats, kleine hapjes die de gehele dag door worden gegeten. En soms gaat er niets boven een boterham met boter en suiker, en aan de kust lekker vis voor Els.

Het fruit op Sri Lanka is het lekkerste dat we ooit gegeten hebben. Ieder uur drinken we wel aan de kant van de weg een overheerlijke king’s kokosnoot. Deze kokosnoten komen alleen op Sri Lanka voor. Ze zijn zoeter dan de gewone kokosnoten, en nog lekkerder. In een land met zoveel vers fruit is het wel heel moeilijk om vers fruit te drinken, de singalezen vinden dat namelijk niets. Fruit is zo gewoon dat ze de voorkeur geven aan chemische drapjes. Jammer genoeg is het geen durian seizoen, maar we doen ons te goed aan overheerlijke zongerijpte vruchten zoals rode en gele bananen, passievruchten, ananassen, sinaasappels, mandarijnen, appels, enkele onbekende vruchten, Papaja’s en mango’s. De eerste mango’s die we aten waren wel aardig. Als echte Hollanders kochten we natuurlijk de 2 roepie mango’s, niet wetende dat de 10 roepie versie duizend keer lekkerder is. Op het moment dat we daar achter waren…. MMMMMMmmmmmmmmmmmmmmm Mango…

We fietsen verder naar het indrukwekkende rotspaleis van Sigiriya. Als we bovenop staan zoeken we in het oerwoud naar de weg die we net hebben gereden, maar we kunnen niets vinden. Onderweg dachten we al olifanten stront te zien liggen, en we besluiten de volgende ochtend maar via een andere weg verder te rijden, wegens olifantengevaar.

De tempels bij Polonnaruwa zijn voornamelijk ruines, en hebben weinig aantrekkingskracht op ons, dat is heel anders in Anuradhapura . Deze tempels zijn actief, en barsten daarom van het leven. Vele immens grote witte stupa’s staan bij elkaar in wat vroeger de oude stad geweest moet zijn. Duizenden mensen lopen met bloemen naar de tempel met een stekje van de bodhi boom waar Boeddha 2500 jaar geleden zijn verlichting heeft bereikt.

In Anuradhapura hebben we afgesproken met Donnella, een Canadese vriendin die we exact 4 jaar geleden in Calcutta (India) hebben ontmoet bij het wachten op de boot naar de Andaman eilanden. Sindsdien hebben we haar regelmatig over de vloer gehad als ze van of naar een bestemming in de wereld gaat. Een maand geleden kregen we een e-mail “Waar zijn jullie met de kerst, ik ga naar Thailand.” Door te vertellen dat wij in Sri Lanka zitten, en dat het voedsel hier ook fantastisch moet zijn was ze omgepraat om ook te komen. Ze werkt momenteel als lerares Engels in Japan, en had echt de “break” nodig. De enige westerling in een dorp van 5000 mensen, met de eerste supermarkt 2 uur rijden. Ze woont in een “Shit hole” zoals ze zegt, en ze bedoelt die zowel letterlijk als figuurlijk. Alles dat ze doet, nu zelfs op vakantie, moet ze verantwoorden aan het schoolbestuur. Als we in het hotel aankomen, zien we haar al gelijk staan….buigen. Ze helpt een japanner, die geen woord engels spreekt en niets van non-verbale communicatie snapt, eten te bestellen.

In Sri Lanka kan je goed met Engels uit te voeten. Het is ook tot in de jaren zestig de officiële taal geweest. Singhali en Thamiel zijn nu de officiële talen, en zelfs daar snappen we sommige woorden van. Sri Lanka, of Ceylan zoals de Hollanders het noemden is zo’n 150 jaar Nederlands geweest totdat we het aan de engelse gaven. In beide talen merk je woorden van elkaar op. Ananas is afgeleid van Anassi, waar zouden we anders die vruchten vandaan hebben gehaald. Aardappel, theepotje, slak, boontje, advocaat, notaris. Op deze manier groeit onze singhalese woordenschat snel. Het zijn verder de woorden die te maken hebben met zeemans kaartspelletjes, bura, hera, kalabara, roite en iscoppa. Op een plein zien we twee mannen dammen op een 12×12 dambord met de zeer herkenbare Singhalese naam Dam.

Van Anuradhapura huren we een minibusje. We gaan nog een keer langs Sigiriya, want dat mag Donnella niet missen, naar de tempelgrotten van Dambulla en ten slotte Kandy. De fiets is geen heilig vervoersmiddel voor ons, maar net als de motor een manier om erg onafhankelijk te reizen. Per gebied bepalen we wat wij op dat moment het beste vervoer vinden, en een minibusje is voor dit stuk, bergop en honderden kilometers het beste vervoer.

Vanuit ons hotel hebben van een overzicht over het meer van Kandy en de bergen eromheen. Dit is de eerste plaats die we aandoen die echt als een stad aanvoelt.

De botanische tuin moet hier één van de beste van de wereld zijn. We hebben alleen meer oog voor de honderden vleermuizen die in de bomen hangen, dan voor de verschillende bomen zelf. Wel is de Coco de Mer een indrukwekkende boom. Er is maar 1 andere plek op aarde waar deze boom ook staat. Cocosnoten van 22kg stuk, de grootste vrucht in het plantenrijk, kwamen aandrijven, en meer dan honderd jaar later vonden ze eindelijk de boom waar ze vanaf kwamen.

Midden in Kandy staat de belangrijkste tempel van het land. De beveiliging rondom de tempel is optimaal, en wij worden ook zorgvuldig ondervraagd; “No bomb”, en nadat ik dit bevestig kan ik doorlopen. Drie keer per dag wordt een ceremonie gehouden. De gelovigen worden hier optimaal in hun geloof getest want hier ligt Boeddha’s 9 cm lange tand. Dit is het belangrijkste voorwerp in Sri Lanka. Iedereen loopt met bloemen in hun handen, en er heerst een opgetogen sfeer. Als de trommels en trompetten klinken wordt de rij voor een poortje steeds langer, en dan gaat het open. Stapje voor stapje kom ik dichterbij. Mensen worden weggetrokken door een agent, en ik ben bijna bij de goude mini-pagoda met gouden munten en kettingen eroverheen. In deze pagoda zit weer een gouden kistje, met daarin een kistje, en een kistje waar uiteindelijk de beruchte tand inzit. Met een hand wil ik bloemen offeren, en met de andere snel een foto maken. Het enige wat ik door mijn lens ziet is een hand van de agent, en ik moet alweer verder. Van een afstandje kan ik gelukkig wel alles goed bekijken.

Het leukste hier was toch wel het Olifanten weeshuis in Pinawella, een uur met de bus van Kandy. 100 foto’s schiet ik, en dan moet ik me echt inhouden omdat ik nog geen digitale camera heb. Eigenlijk doen de olifanten hier niet zo veel, en dat is het mooie van het geheel. De jonkies krijgen te drinken, en ze staan een beetje. Als ze hiermee klaar zijn lopen ze naar de rivier en lopen ze wat rond. We waren bang dat dit bekende park over georganiseerd zou zijn, maar het tegendeel is waar. De olifanten kunnen geheel hun eigen gang gaan, en lopen wat rond en badderen in het water. Soms wil er wel eens een ontsnappen naar de overkant, maar dan wordt hij snel terug gehaald.

Van Kandy willen we de trein nemen naar de hoogste plaats Nuwara Eliya. We proberen al van te voren kaartjes te kopen, maar kunnen alleen op de dag zelf kaartjes kopen. Om 8:55 gaat de trein, mar om 6:20 kunnen we nog steeds geen kaartjes kopen. Er wordt ons verteld dat als de trein vertrekt uit Colombo pas kaartjes verkocht kunnen worden, want dan weten ze hoeveel kaartjes nog over zijn. Als we later in de trein zijn hebben we het idee dat er toch iets meer kaartjes verkocht zijn. We zijn wel de eerste, maar worden steeds zenuwachtiger, we willen nu eindelijk weg uit Kandy, en de trein lijkt ons de mooiste optie, en het handigst want de fietsen kunnen in een bagage wagon. Na wat zeuren, kunnen we al een 2e klas kaartje kopen, en kunnen we rustig wachten tot de trein komt. Als de kaartjes verder eindelijk verkocht worden, wordt het drukker en drukker op het perron. Nog steeds maken we ons niet zo druk, maar bespreken wel al een plekjes-vind-tactiek om de beste plaatsen te bemachtigen. Als de trein eindelijk na veel vertraging binnen is, zien we al mensen uit de trein hangen en niemand stapt uit de overvolle trein. Wij moeten daar nog met honderden bij. Hier is geen tactiek tegen opgewassen, er is maar een ding dat we kunnen doen, zorgen dat we aan boord komen. Onze fietsen worden over het perron naar de bijna lege bagage wagon gebracht, en wij staan op 1 been op het balkon omdat er geen ruimte is om die tweede neer te zetten. Wij staan tenminste nog binnen, buiten hangen aan iedere deur nog 4 mannen. We zien dat Donnella ook op het andere balkon binnen is, en de trein vertrekt. Bij het eerste station gaat er 1 uit, zodat we omstebeurt een extra teen op de grond kunnen zetten, we hoeven gelukkig nog maar 5 uur. Het wordt zwaarder en zwaarder, voor een kind wordt het iets te veel, en maakt wat ruimte in haar maag door te kotsen. We horen al 6 stations dat we nog 2 stations moeten, en geloven er niet meer zo in. We hebben deze trein genomen voor de prachtige uitzichten, maar zien alleen maar hoofden. Eindelijk mogen we uit de ramptrein. We drinken zalige thee en een paar Necto’s en moeten nog 9 kilometer verder bergop om eindelijk in Nuwara Eliya te komen. Helemaal kapot storten we in een hotel neer. Een hoop Singhalesen gaan naar deze plaats voor de koelte, maar als ze hier zijn beseffen ze dat het hier voor hun extreem koud is. Wij lopen rond in onze T-shirts bij een lekker 15˚C, maar zij hebben truien, jassen, mutsen en handschoenen en lopen nog steeds bibberend rond. Arjan sleutelt een dag aan de fietsen, en Els probeert na de treinrit weer op krachten te komen om verder door de bergen te fietsen.

We hebben over 3 dagen weer met Donnella afgesproken. Ze reist van stad naar stad, om overal maar 5 minuten rond te lopen. Ze heeft niet de rust om ergens langer te zijn. Ze wil eigenlijk in een Backpack hang-out zitten, maar dan zonder backpackers.

Als je denkt dat je vanaf het hoogste punt alleen maar naar beneden hoeft te rollen heb je het mis. Een prachtige rit, naar boven en naar beneden. Jammer genoeg ook veel zwarte rookwolken van slecht afgestelde wagens. We zijn blij dat we eindelijk bij de laatste beklimming zijn, bij Ella. Door de theeplantages rijden we weer stijl omhoog. Aan de andere kant van de berg ligt de berucht Ella kloof, en stoppen bij het eerste hotel op ons lijstje boven deze kloof. Jammer genoeg geen plaats, en nog spijtiger als we er achter komen dat dit niet het eerste, maar laatste hotel is. We moeten die andere voorbij gereden hebben. Els probeert nog iets omhoog te rijden, maar geeft dit na een paar meter op, dit is veel te stijl. We hebben al 60 kilometer gereden, en de keuze is een stuk omhoog lopen, met fietsen en bepakking, of 30 kilometer verder rijden door de zeer steile Ella kloof.

Eigenlijk is er geen keuze, en we rijden naar beneden, langs de waterval. Het wordt warmer en warmer en 30 kilometer verder en meer dan 1000 meter lager zijn we bij het eerst volgende hotel.

We waren van plan om 3 dagen in Ella te blijven, maar nu we dit gemist hebben moeten we weer wat anders bedenken. We besluiten door het Yala National park naar Kataragama te rijden. Als Arjan overdag een kijkje in Kataragama gaat nemen, snap hij niets van het stadje. Een paar stenen gebouwen en verder honderden kraampjes met fruit. Alleen niet om te eten, alleen om te offeren. Tegen de avond gaan we samen het dorp in, en komen nu verder dan de kraampjes het park in. Kataragama is een belangrijke bedevaartsplek voor zowel moslims, hindoes en boeddhisten. Allemaal op hetzelfde terrein staan de verschillende gebouwen, en sommige lopen in elkaar over. Dit is weer zo’n spectaculaire plaats waar je uren kunt kijken wat er allemaal gebeurt. Brandende kokosnoten worden na het bidden kapot gegooid. Mensen lopen rondjes rond de dagoba en offeren kokosolie in de olielampen zodat deze continue kunnen branden. Vaders met hun kind in de armen lopen onder een olifant door om zo veel voorspoed te vergaren voor hun kind. De tempelolifant wordt naar de verschillende tempels geleid om uit naam van Ganesh de tempels te zegenen, en offerbananen in ontvangst te nemen. En lange rijen mensen met grote gevulde fruitmanden staan te wachten voordat ze in de overvolle tempels naar binnen kunnen, om hun offeringen aan de goden of Boeddha te kunnen maken.

Via Hambantota en Suriyawewa rijden we verder naar Embilipitiya waar we Donnella weer ontmoeten. Vanaf hier gaan we het Uda Walawe National park in, dat bekend staat om zijn grote kuddes olifanten. De olifanten zitten niet alleen in het park, want onderweg ligt een man op de grond die van zijn fiets is gevallen toen hij een olifant zag, hij moet er nog van bijkomen. Als we 100 meter het park in zijn zien we al tientallen olifanten in de verte, en na een paar kilometer wordt de jeep stopgezet en wachten we op een kudde van ongeveer 25 olifanten die langzaam onze kant op komt. Rustig kunnen we ze bekijken, en we zien goed de verschillende karakters en taken van de verschillende wilde dieren. Ze komen zelfs zo dichtbij dat we midden in de groep staan. Onze gids wordt er een beetje zenuwachtig van en met zijn pet probeert hij een olifant weg te jagen. Wij vinden het alleen fantastisch. Als we verder rijden nog meer olifanten, verschillende soorten parkieten, hornbill, vogels, wilde buffels, knaagdieren. De gids roept opgewonden “Look there!!! Luipaard”. Ja, en daar een pauw zegt Arjan. “Forget that peacock, a leopard, you very very lucky. Change 1 to 1000, you very very lucky.” Als we dichterbij komen zien we zelfs twee jonge luipaarden spelen aan de kant van het pad, en in een fractie van een seconde zijn ze weg.

Dit is weer een lange dag, want vanochtend om 5 uur waren we al op voor de safari, en vanavond is het oudejaarsnacht, maar we zijn eigenlijk te moe om wakker te blijven. We worden jammer genoeg geholpen met wakker blijven door de plaatselijke jeugd. Naast onze kamer wordt op het terrein van het hotel een luxe minibusje gezet met de achterklep open, en de stereo op maximaal. Zelfs hebben ze er weinig last van, want ze zitten zelf aan de andere kant want dat gedreun doet zo’n pijn aan je bezopen kop. De laatste week zijn veel mensen vrij, en rijden overal half bezopen jongeren die te veel geld in de toeristen industrie hebben verdiend. Overdag slijmen voor de grote fooi, en tegenover hun vrienden moeten ze de grote man uithangen, waar we erg veel last van hebben. Ze rijden irritant naast ons, snijden ons af, en zijn vervelend tegen ons, bij hen zijn onze opvallende fietsen een nadeel. Na 12 uur zijn we het echt zat, en willen gaan slapen, maar dit zijn niet de mensen om rustig mee te praten. In z’n onderbroek staat Arjan tussen 30 Singhalese jonge mannen “Don’t tell us what to do white man, whose island is this? This is my island. So fuck off.” Op deze manier kan het nog een lange nacht worden. Het hotelpersoneel staat er ook nutteloos bij. Wonder boven wonder krijgen ze ze zo ver dat ze om 1 uur weggaan, maar eerst roken ze ons met alle motoren en auto’s uit. Gelukkig zijn de feestdagen voorbij gaan we morgen hier weer weg. Heel vroeg gaan we weg want de hele nacht zijn we zelf nog onrustig gebleven.

Donnella gaat weer met de bus, en wij fietsen weer verder naar Matara. Er blijft een bijsmaak hangen van zo’n nacht, maar de meeste mensen zijn toch weer vriendelijk en vrolijk “Happy new year.” Op de kaart ziet de route er vlak uit, maar het is weer een prachtige weg door de heuvels. Als we in Matara naar een hotel aan het zoeken zijn komt er al iemand naar ons toe rennen. “A note from your friend.” Donnella is er dus al, maar is ergens aan het bellen. “Als je 2 mensen ziet op vreemde fietsen, geef ze dit briefje.” Wij zijn zo gemakkelijk te vinden. In Matara bezoeken we de Nederlandse hervormde kerk, de stadsmuur en een fort. Er is niet zoveel bewaard gebleven uit de Nederlandse periode, maar het is ook 200 jaar geleden dat we hier zaten. In Galle is nog veel meer terug te vinden van de Nederlandse periode, maar alles is dicht omdat het gerenoveerd wordt. We zijn dus erg blij dat we in Matara in de kerk zijn geweest, in Galle moet ik ze vertellen dat mijn over-over-over grootvader deze kerk heeft opgericht, en dat ik speciaal uit Holland ben gekomen om te komen kijken. Ik weet niet of ze me serieus nemen, maar ik mag wel even binnen een foto maken.

Unawatuna moet de strandlocatie bij uitstek zijn. Donnella wilde hier heel graag naartoe gelokt door de woorden “Strand”, “Eten”, “Strandtentjes”. Jaren gelden behoorde dit strand nog tot de top 10 mooiste stranden op aarde, maar tijden veranderen. Het zakte naar ergens in de top 50, en ik vrees dat die lijst ook alweer achterhaald is. Dit is een voorbeeld waar een plek ten onder gaat aan zijn eigen reputatie en populariteit. Het hele strand is volgebouwd waardoor nog maar een kleine strook strand is overgebleven. Eettentjes met de namen als Happy Tuna en Happy Banana zijn alleen maar happy als je veel drank consumeert, maar missen een eigen sfeer.

De rit per minibus van Unawatuna naar Negombo is lang en vermoeiend. We hebben al na 2 minuten rijden een hekel aan onze chauffeur, en we moeten nog 6 uur met de man. We hebben duidelijk gezegd dat we ligfietsen meenemen, maar als we de fietsen zeer voorzichtig inladen zit hij gelijk al te zeuren dat we iedere beschadiging moeten gaan betalen. Als we wegrijden tikt de ketting tegen de fiets, en de man zit irritant te roepen “tik, tik, tik, tik….”

“Als je denkt dat er iets niet goed is stop dan, maar stop met dat kinderachtige gedrag….”

We zijn wel blij dat we dit stuk langs de westkust met een minibus doen, want het is hier heel erg druk, en hoe dichter bij Colombo hoe drukker het wordt. Als we eindelijk in Negombo zijn aangekomen, en de fietsen er heel voorzichtig uit hebben gehaald gaat de man zoals verwacht zeuren. De rails van het gordijntje is kapot. We trappen er niet in, de fiets is nooit in de buurt van die rails geweest. Als we na lang zoeken eindelijk een kamer hebben gevonden nemen we snel nog afscheid van Donnella. Zij moet vanavond terug naar Japan, en wij moeten zo snel mogelijk naar Kelaniya, een tempel net boven Colombo. Net voordat we naar Sri Lanka vertrokken zijn we er achter gekomen dat de op een na grootste olifanten parade rond deze tijd gehouden wordt, en vanavond komen we er achter dat het echt vanavond is…… Misschien?

We kunnen met de accountant van het hotel meeliften, en met veel zorg zet hij ons halverwege op een bus naar Kelaniya. Als we 3 kilometer van de tempel uit de bus gaan twijfelen we nog steeds of vandaag wel echt de dag is dat het festival is. We zien nog niets dat op een groot festival lijkt, en we zijn al zo moe van heel de dag reizen. Hoe dichter we bij de Raja Maha Vihara tempel komen, hoe meer volk er op de been is, en bij de tempel is het een gekkenhuis. Na de tempel van de tand in Kandy is dit de meest bezochte tempel in Sri Lanka. Morgen is het precies de dag dat boeddha hier predikte, zo’n 2500 jaar geleden. En vandaag is het tijd voor een feestje. We hebben nog even de tijd, want de parade start pas om 23:00, dus we gaan eerst naar de dagoba. Deze dagoba is vreemd genoeg hol, en vanavond hangt hij vol lampjes. Dit is de derde dag van het festival, en een hoop mensen zien er erg vermoeid uit. Ze slapen al 3 nachten op het gras bij de tempel. Wij zitten opeens weer vol energie, want wat we nu allemaal zien doet ons hart sneller kloppen. De mahoets zijn hun olifanten aan het klaarmaken voor de parade, en het ziet er fantastisch uit.

We vinden een plekje tussen de mensen bij de poort van de tempel, de startplek van de “Kelaniya Duruthu Maha Perahera”.

De parade start met een geknal, en daarachter komen de vuurbal zwaaiers. De warmte van de in olie gedrenkte kokosnoten voelen we aan onze gezichten. En dan komt de eerste olifant, geheel in klederdracht. Een kleed, masker, oorwarmers en overal lichtjes.

Masker dansers, Pauwendansers, Monniken, tempelbeheerders en belangrijke mannen in prinselijke Indiase pakjes en olifanten, olifanten en olifanten.

Meer dan 40 olifanten zitten in de parade, de ene nog mooier uitgedost dan de andere. Bij sommige olifanten gaat de mensen massa opeens staan, en worden de handen in gebed bijeengebracht. Op de rug van de olifant zit een bakje met daarin een belangrijke god. Sommige olifanten hebben een grote accu om hun nek hangen, bij andere lopen drie mannen er achterna die een generator voortduwen om de vele lampjes te laten branden. Om half twee is de stoet afgelopen, en kunnen we naar huis. Gelukkig kunnen we meerijden zodat we om half vier ’s nachts eindelijk in ons hotel kunnen inchecken.

De laatste dagen rusten we uit, fietsen nog wat in de omgeving van Negombo. Nog een laatste tocht door de drukte naar het vliegveld, en Els laat nog een laatste keer aan leger, douane, en vliegveld personeel laten zien hoe dat vreemde voertuig werkt.

Voor de terugvlucht hebben we onze grote dozen niet meer. We kopen bij een supermarkt een paar chips dozen, en plakken deze aan de zijkant van de fiets. Op de meest kwetsbare delen doen we bubbeltjes plastic. We hebben het idee dat dit zelfs beter is dan die grote onhandelbare dozen. De fietsen kunnen rollen, ze zien wat het is en ze zijn veel beter hanteerbaarder.

Na een lange vlucht met een stop in Abu Dabi landen we weer op schiphol. We hebben erg genoten van Sri Lanka, en als absolute toppers de olifanten.

We hebben wel de extremen gemist in dit land. We hebben natuurlijk al veel in Azië gezien, maar we webben niets hier gezien dat bij de toppers terechtkomt, behalve de olifanten. Voordat we hier naartoe vlogen hadden we in ons gedachte dat Sri Lanka net zoiets als India zou zijn. Het zijn de zelfde soort mensen, en het zelfde gebied. Hoe langer we er waren, hoe meer we realiseerden dat dit land zo anders is. De mensen zijn aan westerlingen gewend zodat ze ons niet zo interessant vinden, gelukkig compenseerde de fietsen dat voor ons. De mensen zijn rustiger maar ook afstandelijker.

Arjan & Els, 28 februari 2004